Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7157

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35092
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13a, geldigheid: 2000-09-20
Wet op de loonbelasting 1964 27 (oud), geldigheid: 2000-09-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1388 met annotatie van Van Es
FED 2000/649
FED 2000/528
BNB 2001/81 met annotatie van P. Kavelaars
WFR 2000/1441
V-N 2000/44.18

Uitspraak

Nr. 35092

20 september 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 december 1998 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 333.962,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: de BV). In het onderhavige jaar (1995) was hij bij haar in dienstbetrekking.

3.1.2. Op 16 december 1994 kwamen de BV en belanghebbende het volgende overeen:

“1. Het volledige salaris over 1995 zal reeds betaalbaar worden gesteld in december 1994 tegen de contante waarde daarvan berekend tegen een rentepercentage van 7,5%. (...)”

3.1.3. De BV heeft belanghebbende in december 1994 een bedrag van f 371.159,-- betaald als salaris over 1995. Bij de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1995 heeft de Inspecteur dat bedrag, op grond van het bepaalde in artikel 33, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, in samenhang met artikel 27, lid 10, van de Wet op de loonbelasting 1964 (in de tekst van 1994 tot en met 1996, hierna: de Wet), tot belanghebbendes inkomen over 1995 gerekend.

3.2. Het Hof heeft, in cassatie niet bestreden, geoordeeld dat belanghebbende het als salaris over 1995 betaalde bedrag op een ongebruikelijk tijdstip heeft genoten. Het middel is gericht tegen het oordeel dat desondanks de door belanghebbende met de BV gesloten overeenkomst niet onder het bereik van voornoemde bepaling valt, nu die bepaling niet geschreven is om overeenkomsten tot vervroegde betaling van loon te treffen.

3.3. Het middel slaagt. Hoewel uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 27, lid 10, van de Wet volgt dat de wetgever voornamelijk overeenkomsten tot uitstel van loon op het oog heeft gehad - ook het feit dat in de titel en de aanhef van de wet van 24 december 1993, Stb. 733, waarbij deze bepaling is ingevoerd, gesproken wordt over een wijziging van “de loon- en inkomstenbelasting in verband met [ongewenst] uitstel van loon” wijst in die richting - valt in de tekst van deze bepaling een beperking tot die situaties niet te lezen. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan aan het gebruik van het woord “zal” in de wettekst geen argument voor die beperking worden gevonden. Daaruit volgt immers alleen dat het overeengekomen tijdstip van genieten moet liggen na het tijdstip van sluiten van de overeenkomst. Een beperking tot alleen de gevallen waarin salaris is uitgesteld kan, anders dan het Hof heeft geoordeeld, ook niet worden afgeleid uit artikel 27, lid 5, letter a. Uit de samenhang tussen dit lid en lid 10 volgt immers dat indien geen rekening wordt gehouden met een overeenkomst tot vervroegde betaling van loon, dat loon niet wordt genoten op het tijdstip waarop dit op grond van die overeenkomst in feite is betaald, maar op het tijdstip waarop dat loon zonder die overeenkomst zou zijn genoten.

3.4. Het strookt integendeel met de strekking van die bepaling, die in de kern neerkomt op het tegengaan van salarisconstructies door wat betreft het tijdstip van genieten van salaris een directeur-grootaandeelhouder zoveel mogelijk in dezelfde positie te brengen als een “gewone” werknemer, om die bepaling ook toe te passen in gevallen waarin loon vervroegd is betaald.

3.5. Uit het vorenstaande volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Tussen partijen is kennelijk niet in geschil dat indien het in december 1994 vervroegd betaalde salaris over 1995 op grond van het bepaalde in artikel 33, lid 5, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in samenhang met artikel 27, lid 10, van de Wet tot belanghebbendes inkomen over 1995 moet worden gerekend, de uitspraak van de Inspecteur dient te worden bevestigd. De inspecteur heeft belanghebbende toegezegd in dat geval de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 1994 dienovereenkomstig te verlagen en een evenredig deel van de in 1994 ingehouden loonbelasting/premie volksverzekeringen in 1995 te verrekenen. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur.

Dit arrest is op 20 september 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier I. de Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.