Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/339HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 38
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 156
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 157b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 433
NJ 2000, 630
RvdW 2000, 183
JWB 2000/137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/339HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. W.B. Teunis,

t e g e n

B.V. BERGEN OP ZOOMSE SANITAIR INSTALLATEURS B.S.I.,

gevestigd te Bergen op Zoom,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: BSI - heeft bij exploit van 2 juni 1997 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Bergen op Zoom en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

[Eiser] te bevelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan BSI medewerking te verlenen tot terugname door BSI van de onderwerpelijke boiler c.a., met machtiging aan BSI om bij gebreke van [eiser]s medewerking de boiler c.a. te doen terugnemen, desnoods met behulp van de sterke arm;

[Eiser] te veroordelen tot betaling van het bedrag van ƒ 399,50, te vermeerderen met ƒ 20,-- per maand voor iedere maand of gedeelte van een maand vanaf juni 1997 tot de dag waarop BSI de beschikking krijgt over haar boiler, alles tezamen een bedrag van ƒ 5.000,-- niet te boven gaand.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en tevens een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen.

Na verweer in het incident zijdens BSI heeft de Kantonrechter bij vonnis van 15 oktober 1997 zich in het incident bevoegd verklaard om van de hoofdvordering kennis te nemen en mitsdien de incidentele vordering afgewezen, en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 24 december 1997 [eiser] bevolen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan BSI medewerking te verlenen tot terugname door BSI van de onderwerpelijke boiler c.a., met machtiging aan BSI om bij gebreke van [eiser]s medewerking de boiler c.a. te doen terugnemen, desnoods met behulp van de sterke arm, [eiser] veroordeeld tot betaling van ƒ 340,--, te vermeerderen met ƒ 20,-- per maand voor iedere maand of gedeelte van een maand vanaf juni 1997 tot de dag waarop BSI de beschikking krijgt over haar boiler, alles tezamen een bedrag van ƒ 5.000,-- niet te boven gaand, dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en het meer of anders gevorderde ontzegd.

Tegen zowel het incidenteel vonnis als het vonnis in de hoofdzaak heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

Bij vonnis van 23 februari 1999 heeft de Rechtbank [eiser] in zijn beroep tegen beide vonnissen niet-ontvankelijk verklaard.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen BSI is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

3.1De Kantonrechter heeft bij incidenteel vonnis van 15 oktober 1997 het beroep van [eiser] op onbevoegdheid van de kantonrechter verworpen en zich bevoegd verklaard om van de hoofdvordering kennis te nemen. Op 24 december 1997 heeft de Kantonrechter eindvonnis gewezen.

De Rechtbank heeft in rov. 3.6 geoordeeld dat de appellabiliteit van een incidenteel vonnis wordt beheerst door die van het eindvonnis, en dat, nu [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn beroep tegen het eindvonnis, hij evenmin ontvankelijk is in zijn beroep tegen het incidentele vonnis.

3.2Onderdeel 2 van het middel betoogt dat dit oordeel in strijd is met art. 157b lid 1 Rv. omdat van een beslissing omtrent de absolute bevoegdheid steeds hoger beroep openstaat ongeacht of het vonnis in de hoofdzaak voor hoger beroep vatbaar is.

De wetsartikelen die bepalen of een vonnis voor hoger beroep vatbaar is, zijn - behoudens uitzonderingen - zowel op tussenvonnissen als op eindvonnissen van toepassing. Uit art. 157b lid 1 Rv. volgt dat tegen een tussenvonnis waarbij de rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen, in zoverre alleen hoger beroep openstaat op grond van de stelling dat de rechter absoluut onbevoegd is, en slechts tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis. Uit deze bepaling volgt niet dat met betrekking tot de vraag van absolute bevoegdheid steeds hoger beroep openstaat. De wettelijke appellabiliteitsregels zijn ook van toepassing op het tussenvonnis waarbij de rechter zijn bevoegdheid heeft aangenomen. Het onderdeel faalt derhalve.

3.3De in onderdeel 1 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

de Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van BSI begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 15 september 2000.