Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7070

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35367
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16, geldigheid: 2000-09-13
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 2, geldigheid: 2000-09-13
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 4, geldigheid: 2000-09-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1363 met annotatie van Hessels
FED 2000/505
BNB 2000/347
WFR 2000/1400
V-N 2000/43.7

Uitspraak

Nr. 35367

13 september 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de stichting Stichting X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 2 april 1999 betreffen-de na te melden navorderingsaanslag in de vennoot-schapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag van nihil. Vervolgens is aan belanghebbende over dat jaar een na-vorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 2.840,--, zonder verhoging. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. J.H. Sassen, advocaat te Arnhem.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende is op 24 november 1986 opge-richt. Zij heeft, blijkens artikel 2, lid 1, van haar statuten - voorzover in cassatie van belang - ten doel: “het bevorderen van activiteiten zoals hobby’s en lichamelijke beweging door middel van het aanreiken van middelen daartoe, teneinde het isolement van aan-huisgebonden gehandicapten, demente bejaarden en minder-validen te verlichten (..)”. Volgens het derde lid van genoemd artikel beoogt belanghebbende niet het maken van winst.

Belanghebbende verkoopt wenskaarten, zowel ‘huis aan huis’ als op weekmarkten. Zij schakelt daarvoor arbeidskrachten in.

De Inspecteur heeft voor het jaar 1992 belanghebbende ambtshalve een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd. Het daartegen gerichte bezwaarschrift van 2 januari 1995 luidt - voorzover in cassatie van belang - als volgt: “De winst die door onze Stichting wordt gemaakt komt geheel ten goede aan liefdadige doeleinden en is daarom als zodanig niet belast in de Vennootschapsbelasting, aangezien onze Stichting zich slechts bezighoudt met fondsenverwerving in het kader van haar charitatieve doeleinden”. Op grond van deze verklaring heeft de Inspecteur het bezwaar gegrond verklaard.

In 1996 heeft de Inspecteur een onderzoek ingesteld bij belanghebbende. Daarbij is gebleken dat zij met de verkoop van de wenskaarten in de periode 1990-1995 meermalen een batig jaarsaldo heeft gerealiseerd en dat zij niet of nauwelijks bedragen heeft geschonken aan zogenoemde ‘goede doelen’. In het onderhavige jaar betreft het een omzet van ƒ 27.141,-- en een batig jaarsaldo van ƒ 2.844,--. In dit jaar heeft belanghebbende geen bedragen geschonken aan ‘goede doelen’.

Op grond van deze bevindingen heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende subjectief belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting en deswege heeft hij de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur geen redenen had te twijfelen aan de juistheid van de in het bezwaarschrift van 2 januari 1995 vervatte verklaring van belanghebbende. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de uit het in september 1996 gehouden onderzoek verkregen informatie betreffende de besteding van belanghebbendes winst een zodanig nieuw licht wierp op de fiscale positie van belanghebbende, dat de Inspecteur in zoverre tot navordering kon overgaan.

3.3. Het eerste middel strekt ten betoge dat de uit het in september 1996 gehouden onderzoek verkregen informatie omtrent de besteding van belanghebbendes winst geen nieuw feit vormt dat navordering kan rechtvaardigen.

3.4. De Inspecteur heeft noch in de in het tegen de primitieve aanslag gerichte bezwaarschrift opgenomen vermelding van door belanghebbende gemaakte winst, noch in de daarin opgenomen mededeling dat belanghebbende een fondsen wervende stichting is aanleiding gevonden een nader onderzoek in te stellen naar de aard van de door belanghebbende verrichte activiteiten, de omvang en regelmaat van de door belanghebbende behaalde exploitatieoverschotten en - in het verlengde daarvan - naar de eventuele toepasselijkheid van een subjectieve vrijstelling. De Inspecteur heeft daarentegen kennelijk uitsluitend aan de opmerking in bovengenoemd bezwaarschrift omtrent de bestemming van de winst de conclusie verbonden dat van belastingplicht van belanghebbende voor de vennootschapsbelasting geen sprake kan zijn. De Inspecteur heeft hiermee blijk gegeven van een onjuist inzicht in de voor de beoordeling van die belastingplicht relevante bepalingen. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan de uit het in september 1996 ingestelde onderzoek verkregen informatie omtrent de winstbesteding geen zodanig nieuw licht werpen op de fiscale positie van belanghebbende dat het een verandering van inzicht van de Inspecteur omtrent de belastingplicht van belanghebbende kan rechtvaardigen. Het middel slaagt derhalve.

3.5. Uit het hiervóór in 3.4 overwogene volgt dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, alsmede de navorderingsaanslag;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 340,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 13 september 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff en op die datum in het openbaar uitgesproken.