Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7043

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C98/341HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 420
JOL 2000, 421
NJ 2000, 604
RvdW 2000, 179
Ondernemingsrecht 2000, 53 met annotatie van H.E. Boschma
JWB 2000/131

Uitspraak

8 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/341HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap onder firma CENTO NEDERLAND B.V. i.o.,

gevestigd te Waspik,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,

t e g e n

CENTO B.V.,

gevestigd te Eefde, gemeente Gorssel,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Cento Nederland - heeft bij exploit van 20 mei 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: Cento - gedagvaard voor de Rechtbank te Zutphen en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Cento te veroordelen om aan Cento Nederland te betalen een bedrag van ƒ 33.748,12, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 1996.

Cento heeft de vordering bestreden.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 10 oktober 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 4 september 1997 Cento Nederland in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit eindvonnis heeft Cento Nederland hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij arrest van 7 juli 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Cento Nederland beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Cento heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Op of omstreeks 17 januari 1994 hebben [vennoot], han-delende onder de naam Betonindustrie [vennoot], en Cento, vertegenwoordigd door haar enig bestuurder, [bestuurder Cento], een notariële akte ondertekend, waarin hun voorgenomen samenwer-king en hun verhouding tot derden, alsmede hun voornemen tot het oprichten van een verkoopmaatschappij onder de naam Cento Nederland B.V. zijn vastgelegd.

Bij brief van 22 december 1995 heeft [vennoot] aan Cento medege-deeld dat "de v.o.f. Cento Nederland b.v. i.o. in zijn huidige vorm ophoudt te bestaan en dat de [vennoot] zich terugtrekt als vennoot uit deze v.o.f.".

3.2 In het onderhavige geding heeft Cento Nederland gevorderd Cento te veroordelen tot betaling van ƒ 33.748,12, op de grond dat zij tot dit bedrag ten behoeve van Cento rekeningen heeft betaald. Cento heeft een voorwaardelijke vordering in recon-ventie ingesteld, die in cassatie niet van belang is.

De Rechtbank heeft Cento Nederland niet-ontvankelijk ver-klaard in haar vorderingen, daartoe overwegende dat tot het instellen van de onderhavige procedure de als vereffenaars op-tredende vennoten in beginsel slechts geza-menlijk bevoegd zijn, en dat Cento Nederland procedeert op grond van een be-slissing van [vennoot], zonder dat deze de andere voormalige vennoot, Cento, in die beslissing heeft gekend, terwijl deze zich daartegen ook verzet.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Hiertegen richt zich het middel.

3.3 In rov. 5.2 van zijn arrest heeft het Hof in het kader van zijn bespreking van de derde appelgrief van Cento Nederland in de eerste plaats de vraag onder ogen gezien of Cento Nederland op de grondslag van art. 3:170 BW ontvanke-lijk is in haar vor-dering tegen Cento, en vervolgens, nadat het deze vraag ont-kennend had beantwoord, in de laatste alinea van deze overwe-ging het beroep van Cento Nederland op art. 3:171 BW onder-zocht. Het heeft aan zijn oordeel dat dit beroep niet opgaat, ten grondslag gelegd dat volgens art. 3:171 een deelgenoot be-voegd is tot het instellen van rechtsvorderingen, terwijl hier niet een deelgenoot doch de gemeenschap - de ontbonden ven-nootschap onder firma - de rechtsvorderingen heeft ingesteld.

Onderdeel 1, dat dit oordeel en de door het Hof daartoe gebezigde grond bestrijdt, is tevergeefs voorgesteld. Art. 3:170, dat ook op de ontbonden vennootschap van toepassing is, behelst als hoofdregel dat het beheer van de gemeenschap, waaronder het instellen van rechtsvorderingen, door de deelge-noten tezamen geschiedt, hetgeen voor het onderhavige geval betekent dat het beheer door de voormalige besturende vennoten gezamenlijk dient te geschie-den. Daarnaast biedt art. 3:171 de mogelijkheid dat een deelgenoot op eigen naam een rechtsvorde-ring instelt ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap. Ingevolge deze bepaling, die onder meer hierop berust dat een deelgenoot bij het instellen van een zodanige rechtsvordering niet van de andere deelgeno-ten afhankelijk dient te zijn (vgl. Parl. Gesch. Boek 3, blz. 590), zal de deelgenoot kenbaar moeten maken dat hij in zijn hoedanigheid voor de gezamenlijke, zo veel mogelijk met name genoemde deelgenoten op-treedt. Anders dan het onderdeel be-toogt, gaat het hier niet om een aan de deel-genoot als verte-genwoordiger van de gezamenlijke deelgenoten toegekende be-voegdheid die ook door de gemeenschap kan worden uitgeoefend, zodat aan deze bepaling niet een bevoegdheid van de ontbonden vennootschap kan wor-den ontleend de vordering in te stellen. Art. 5 lid 1, onder 2o, Rv. leidt niet tot een ander oordeel, nu deze bepaling alleen voorschrijft hoe een vennootschap in een dagvaarding wordt aangeduid, maar geen bevoegdheid tot het instellen van rechtsvorderingen schept.

3.4 Het Hof heeft zijn voormelde oordeel mede doen steunen op de overwe-ging dat art. 3:171 betrekking heeft op door een deelgenoot ingestelde rechts-vorderingen ten behoeve van de ge-meenschap, derhalve niet op rechtsvorderin-gen tegen een andere deelgenoot, maar enkel op vorderingen tegen derden. Onderdeel 2, dat zich tegen deze overweging richt, faalt, aangezien het Hof met juistheid heeft overwogen dat art. 3:171 slechts ziet op vorderingen tegen der-den, en dat vorderingen van de gemeen-schap op een deelgenoot bij de ver-de-ling aan de orde kunnen komen. Bij dit laatste heeft het Hof klaarblijkelijk art. 3:184 voor ogen gehad, waarbij nog opmerking verdient dat, zo partijen over de verdeling niet tot overeenstemming kunnen ko-men, op de voet van art. 3:185 de beslissing van de rechter kan worden ingeroepen.

3.5 Onderdeel 3, dat is voorgesteld onder de voorwaarde dat de onderdelen 1 en 2 gegrond worden bevonden, behoeft blijkens hetgeen hiervoor is over-wogen, geen behandeling.

3.6 Onderdeel 4 bestrijdt het oordeel van het Hof dat de rede-lijkheid en billijkheid niet leiden tot een ander oordeel dan dat Cento Nederland, bij ge-breke van toestemming van Cento, niet bevoegd is tot inning van de vorderin-gen. Dit oordeel be-rust in hoofdzaak op een waardering van omstandigheden van feitelijke aard en is niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft in dit verband met juistheid gewezen op de mogelijkheid de vorde-ring op Cento in de verdeling te betrekken. Daaraan doet niet af dat, zoals het middel betoogt, betaling aan de gemeenschap voorafgaande aan de verdeling geboden kan zijn, nu noch uit het middel noch uit de toelichting blijkt waarom de vordering op Cento niet in de verdeling zou kunnen worden betrokken (vgl. hetgeen hiervoor in 3.4 is over-wogen).

Het onderdeel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Cento Nederland in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cento be-groot op ƒ 967,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor sa-laris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, J.B. Fleers, en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 september 2000.