Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7040

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
C99/280HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Grondwet 121
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 424
NJ 2000, 614
RvdW 2000, 182
JWB 2000/128
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 september 2000

Eerste Kamer

Nr. C99/280HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 30 maart 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] te voldoen een bedrag van ƒ 6.470,73, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen tot vergoeding van schade, nader op te maken bij staat, vermeerderd met de wettelijke rente.

[Eiser] heeft in reconventie de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 21 juli 1995 in conventie de vordering toegewezen en in reconventie [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 3 januari 1997 in reconventie de vordering afgewezen.

Tegen beide in reconventie gewezen vonnissen heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 11 mei 1999 heeft het Hof in het principaal appel de vonnissen waarvan beroep vernietigd, partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een te verrichten deskundigenonderzoek, iedere verdere beslissing aangehouden, en in het incidenteel appel dit appel ongegrond verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep voor zover gebaseerd op de middelen I en II en tot referte wat betreft middel III.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, doch alleen voor zover in de vernietiging van de vonnissen van de Rechtbank ook de veroordeling in conventie - als vervat in het vonnis van 21 juli 1995 - is betrokken, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brieven van 17 en 28 april 2000 op die conclusie gereageerd.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 27 april 2000 eveneens op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 [Eiser] heeft als advocaat [verweerder] bijgestaan in een procedure tegen Aegon, waarin het ging om de vraag of [verweerder] ten gevolge van een ongeval in 1981 ook vanaf 1 juni 1984 nog in een bepaalde mate arbeidsongeschikt was. Na een onderzoek door één deskundige heeft de Rechtbank te Groningen de vordering van [verweerder] toegewezen.

In hoger beroep heeft het Hof te Leeuwarden bij arrest van 15 juli 1992 een nieuw deskundigenonderzoek bevolen en drie deskun-digen benoemd. [Verweerder] heeft zijn medewerking aan een deskundigenonderzoek afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat het onderzoek zou worden vastgelegd op geluidsband en videoband. [Eiser] heeft de procedure voor [verweerder] voortgezet op basis van diens opdracht deze voor-waarde in acht te nemen en te handhaven. Twee van de drie door het Hof benoemde deskundigen bleken niet bereid deze voorwaarde te aanvaarden. Het Hof heeft bij arrest van 16 december 1992 [verweerder] gelegenheid gegeven een voordracht te doen van deskundigen die bereid zijn hun onderzoek te verrichten met audio-videoregistratie. [Eiser] heeft vervol-gens namens [verweerder] de namen van drie deskundi-gen opgege-ven, maar heeft niet kunnen voldoen aan de door het Hof gestelde eis dat verkla-ringen van de des-kundigen zouden worden overgelegd, waaruit ondubbelzinnig blijkt dat zij bereid zijn hun onderzoek te verrichten met audio-videore-gistra-tie. Bij het aanvankelijk op 12 januari 1994 bepaalde doch bij vervroeging uitgesproken eindarrest van 20 oktober 1993 heeft het Hof de vonnissen van de Rechtbank vernietigd en [verweerder]' vorde-ring afgewe-zen.

3.2 In het onderhavige geding heeft [eiser] betaling van enkele declara-ties gevorderd. [Verweerder] heeft in reconventie vergoeding van schade, op te maken bij staat, gevorderd, stellende dat [eiser] bij de vervulling van zijn taak toere-kenbaar is tekortgeschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld.

De Rechtbank heeft de vordering in conventie toegewe-zen en in reconventie, na gehouden getuigenverhoor, de vordering afgewezen. [Verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen de in reconventie gewezen vonnissen. Ook in cassatie is alleen de zaak in reconventie aan de orde.

3.3 Het Hof heeft in rov. 4.4, 4.5, 4.9 en 4.10, kort samengevat, geoordeeld dat [eiser] jegens [verweerder] is tekort-gescho-ten en aansprake-lijk is voor diens schade, welk oordeel het Hof heeft gebaseerd op het verwijt dat [eiser] zijn cliënt [verweerder] niet voldoende tijdig, duidelijk en klemmend heeft gewaar-schuwd dat deze zijn voorwaarde be-treffende de audio-video-registratie van het deskundigen-onderzoek zou moeten laten vallen.

De onderdelen I en II van het middel zijn hiertegen gericht.

3.4 Onderdeel I betoogt dat de gegrondbevinding van dit verwijt onverenigbaar is met de door [verweerder] in eerste aanleg en in appel en als getuige geponeerde stelling dat hij omstreeks begin augustus 1993 aan [eiser] uitdrukkelijk heeft meegedeeld dat hij - juist vanwege zijn bewustheid van het daarin gelegen onaanvaardbare risico - zijn registratievoorwaarde alsnog wilde laten vervallen, indien niet tijdig (vóór 15 september 1993) zou kunnen worden voldaan aan de door het Hof te Leeuwarden daartoe verlangde over-legging van voldoende bereidverklaringen van de door [eiser] te noemen deskundigen. Voorts stelt het onderdeel dat [eiser] zich in zijn verweer zowel in eerste aanleg als in appel op die stelling van [verweerder] heeft beroepen ten betoge dat uit die stelling blijkt dat [verweerder] zich wel degelijk tijdig bewust is geweest van het onverantwoord riskante karakter van het nog langer handhaven van die registratie-voorwaarde. Het onderdeel klaagt dat het Hof ten onrechte dit - mede vanuit het causaliteitsaspect - essentiële verweer van [eiser] onbesproken heeft gela-ten en zijn arrest niet naar behoren heeft gemotiveerd.

3.5 Blijkens het proces-verbaal van getuigenverhoor heeft [verweerder] in de procedure in eerste aanleg als getuige ver-klaard:

"Het was namelijk zo dat mijn vriendin [..] en ik de spanningen niet meer aankonden en begin juli hadden wij daarom besloten mijn eis te laten vallen. (...) wij dachten toen dat wij het toch niet meer rond zouden krijgen. (...) Omdat ik niets van [eiser] hoorde, heb ik hem eind juli begin augustus gebeld en hem gezegd dat ik mijn eis wilde laten vallen."

Deze verklaring is door [verweerder] als procespartij op verschillende plaatsen herhaald en gehand-haafd in zijn conclusie na enquête en in zijn memorie van grieven in hoger beroep.

3.6 [Eiser] heeft in zijn antwoordconclusie na enquête onder 2 met klem ontkend dat [verweerder] hem in augus-tus 1993 heeft medegedeeld dat hij zijn voorwaarde wilde laten vallen. De Rechtbank heeft aan [verweerder] opgedragen te bewijzen dat hij in augustus 1993 een zodanige mededeling aan [eiser] heeft gedaan, en na getuigenver-ho-ren dit bewijs niet geleverd ge-acht.

[Eiser] heeft daarentegen niet ontkend dat [verweerder] begin juli 1993 had besloten zijn voorwaarde te laten vallen. In zijn antwoord-conclusie na enquête heeft [eiser] onder 5.4 hierover ge-schreven:

"Uit de eigen verklaring van [verweerder], ondersteund door die van [de vriendin], blijkt derhalve dat deze kennelijk in juli 1993 voldoende doordrongen was geraakt van de risico's van het blijven vasthouden aan zijn voorwaarde. Uitgaande van zijn eigen ver-klaringen ontbreekt dus reeds daarom goede grond aan het verwijt dat [eiser] hem omtrent die risico's onvoldoende zou hebben voorgelicht. Uitgaande van de lezing van [verweerder] zelf heeft deze immers op basis van een weloverwogen beoordeling van de risico's besloten niet langer aan die voorwaarde vast te houden. Hij was dus kennelijk "voldoende" voorge-licht. In dat licht bezien is de vraag of [eiser] al dan niet [verweerder] "voldoende" heeft voorgelicht rechtens irrelevant."

In zijn memorie van antwoord in appel heeft [eiser] onder meer het volgende aangevoerd:

"3.1 [Verweerder] verwijt [eiser] enerzijds dat [eiser] hem onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico's die hij liep doordat hij halsstarrig vast bleef houden aan de eis dat het deskundigenonderzoek op video moest worden vastgelegd. Anderzijds wordt [eiser] verweten dat (hij) de instructie van [verweerder] om deze voorwaarde te laten vallen niet heeft opgevolgd.

3.2 In ieder geval is duidelijk dat beide standpun-ten niet tegelijkertijd waar kunnen zijn. Zij slui-ten elkaar uit. [Eiser] acht het mogelijk dat [verweerder] destijds besloten heeft om zijn eis maar te laten vallen. Zulks komt [eiser] niet onwaarschijnlijk voor nu [eiser] immers in de periode daarvoor juist ge-tracht heeft om [verweerder] te bewegen zijn eis te laten vallen.

3.3 (...) uit de stellingname van [verweerder] in dit geding kan in ieder geval worden afgeleid dat hij voldoende door [eiser] was ingelicht c.q. gewaarschuwd om bij hem het besef te doen postvatten dat hij zijn eis niet moest handhaven. Hieruit volgt dat een verwijt aan het adres van [eiser] dat hij [verweerder] onvoldoende gewaarschuwd heeft niet op kan gaan. [Verweerder] zelf stelt zich immers op het standpunt dat hij tot de conclusie gekomen was dat hij zijn eis niet moest handhaven."

3.7 Het Hof heeft dit verweer van [eiser] ten onrechte onbesproken gelaten. Het betreft een essentieel verweer, omdat een procederende partij die hangende het geding zelf tot een nieuw inzicht komt dat van invloed kan zijn op de beslissing in dat geding, maar die verzuimt zijn raadsman daarvan tijdig op de hoogte te stellen en zijn opdracht aan deze dienovereenkomstig te wijzigen, zijn raadsman niet aansprakelijk kan stellen op grond van het verwijt dat deze onvoldoende heeft gedaan om hem tot dat inzicht te brengen.

Onderdeel I is derhalve gegrond.

3.8 Het slagen van onderdeel I brengt mee dat 's Hofs arrest moet worden vernietigd en dat het geding moet worden verwezen. Onderdeel II behoeft geen behandeling.

3.9 Onderdeel III klaagt dat het Hof ten onrechte blijkens zijn dictum ook de toewijzing door de Rechtbank van [eiser]' vordering in con-ventie ongedaan heeft gemaakt, tegen welke toewijzing geen grief was gericht.

Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft in het hoofd van zijn arrest vooropgesteld dat het arrest is gewezen in de zaak van [verweerder] tegen [eiser] "op het bij exploot van 25 februari 1997 ingeleid hoger beroep van de vonnissen van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, op 21 juli 1995 en 3 januari 1997 onder rolnummer 94/810 in reconven-tie gewe-zen tussen principaal appellant, [verweerder], als eiser in reconventie, en principaal geïntimeerde, mr. [eiser], als verweerder in reconventie." In zijn dictum heeft het Hof op het principaal appel "de vonnissen waarvan beroep" vernie-tigd. Aldus heeft het Hof de vonnissen slechts voor zover deze tussen partijen in reconventie zijn gewezen vernie-tigd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Herto-genbosch van 11 mei 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 733,27 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, W.H. Heemskerk, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het

openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 september 2000.