Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7037

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
R99/163HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA7037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen 13a, geldigheid: 2000-09-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 419, geldigheid: 2000-09-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429h, geldigheid: 2000-09-08
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 814, geldigheid: 2000-09-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 418
NJ 2000, 641
JWB 2000/125

Uitspraak

8 september 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/163HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [plaats A], Verenigde Staten van Amerika,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

[De man],

wonende te [plaats B],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. De procedures in feitelijke instanties

1.1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de Rechtbank te ’s-Gravenhage op 13 augustus 1997 en aldaar ingeschreven onder rekestnummer 97-5205, heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank met het verzoek echtscheiding tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - uit te spreken en het gezag over het minderjarig kind van partijen aan haar toe te kennen.

Bij op 28 oktober 1997 ingediend verweerschrift heeft de man zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de Rechtbank gerefereerd, het verzoek betreffende de gezagsvoorziening bestreden, en bij wege van zelfstandig verzoek de Rechtbank verzocht hem te belasten met het gezag over de minderjarige.

Bij faxbericht van haar procureur van 30 oktober 1997 heeft de vrouw de Rechtbank bericht dat zij haar verzoekschrift introk.

Bij op 5 november 1997 ingediende "akte houdende aanvulling zelfstandig verzoekschrift" heeft de man zijn hiervoor vermeld zelfstandig verzoek aangevuld met het verzoek tussen partijen echtscheiding uit te spreken.

De vrouw heeft bij "verweerschrift op zelfstandig verzoek", ingediend op 25 november 1997, verzocht haar niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek tot echtscheiding en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn zelfstandige verzoeken.

Bij beschikking van 13 februari 1998 (rekestnummer 98.150) heeft de Rechtbank bepaald dat het kind voorlopig aan de man zal worden toevertrouwd. Zij overwoog daarbij onder meer dat zij het op 5 november 1997 ingekomen aanvullend verzoek van de man als een nieuw ingediend echtscheidingsverzoek beschouwde.

1.2 Vervolgens heeft de man op 13 maart 1998 een verzoekschrift gedateerd 12 maart 1998 ingediend, waarin hij de Rechtbank verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken en de man te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige. Dit verzoekschrift is bij de Rechtbank ingeschreven onder rekestnummer 98/1684.

De vrouw heeft zich tegen die verzoeken verweerd met een op 21 juli 1998 ingediend verweerschrift, waarin zij onder meer de exceptie van litispendentie opwierp, met een beroep op een door haar op 11 november 1997 in de Verenigde Staten van Amerika tegen de man aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure.

1.3 De mondelinge behandeling in de zaak met rekestnummer 97/5205 was bepaald op 25 mei 1998. Beide partijen hebben bij faxberichten van 20 mei 1998 bericht niet ter zitting te zullen verschijnen, en de Rechtbank verzocht op basis van de stukken uitspraak te doen.

Daarop heeft de Rechtbank bij beschikking van 10 augustus 1998, met vermelding van rekestnummer 97/5205 en het op 13 augustus 1997 ingediende verzoekschrift van de vrouw, de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek verklaard. Met betrekking tot het verweerschrift van de man en diens op 5 november 1997 ingekomen aanvullende verzoek overwoog de Rechtbank, zonder in het dictum van haar beschikking enige beslissing dienaangaande op te nemen, het volgende:

"Met het intrekken van het verzoekschrift van de vrouw, is (het belang van) het verweerschrift van de man met eventuele verzoeken om nevenvoorzieningen komen te vervallen. Het nagezonden verzoek van de man kan niet gelden als een aanvullend zelfstandig verzoek gedaan in het kader van het verweerschrift. De rechtbank beschouwt dit verzoek derhalve als een nieuw ingediend echtscheidingsverzoek."

1.4 Onder vermelding van rekestnummer 98/1684 en het op 13 maart 1998 ingediende verzoekschrift van de man heeft de Rechtbank vervolgens bij beschikking van 10 november 1998 echtscheiding tussen partijen uitgesproken, enige verzoeken tot partijen en de raad voor de kinderbescherming gericht, en de behandeling ten aanzien van de gezagsvoorziening aangehouden tot een nader te bepalen terechtzitting. Met betrekking tot de door de vrouw opgeworpen exceptie van litispendentie overwoog de Rechtbank dat zij daaraan voorbijging omdat zij "conform zij heeft overwogen in haar beschikking d.d. 10 augustus 1998, het verzoek van de man tot echtscheiding - in een akte houdende aanvulling zelfstandig verzoekschrift - beschouwt als een nieuw ingediend echtscheidingsverzoek dat eerder door de Nederlandse rechter in behandeling is genomen dan het verzoek tot echtscheiding van de vrouw in de Verenigde Staten van Amerika".

1.5 Tegen laatstvermelde beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage. Haar tweede appelgrief hield in dat de Rechtbank ten onrechte was voorbijgegaan aan de door de vrouw opgeworpen exceptie van litispendentie. De man heeft de grieven bij verweerschrift bestreden.

Bij beschikking van 16 juli 1999 heeft het Hof, onder vermelding dat de man zijn verzoek tot echtscheiding "op 5 november 1997 en ook op 13 maart 1998 bij de Rechtbank had ingediend", de grieven van de vrouw ongegrond bevonden en de bestreden beschikking, voor zover aan ’s Hofs oordeel onderworpen, bekrachtigd.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft bij verweerschrift verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het Hof heeft de tweede appelgrief van de vrouw, die betrekking had op de door haar opgeworpen exceptie van litispendentie, in rov. 4 van zijn beschikking ongegrond bevonden op grond van de volgende overwegingen:

"Ten aanzien van de exceptie van litispendentie is het hof van oordeel dat de op 5 november 1997 ingediende akte door de man bij de rechtbank in de procedure die op 13 augustus 1997 door de vrouw was aangevangen met een echtscheidingsverzoek dat zij op 30 oktober 1997 heeft ingetrokken - van welke akte de vrouw blijkens haar verweerschrift op zelfstandig verzoek d.d. 25 november 1997 kennis heeft genomen - als een zelfstandig echtscheidingsverzoek dient te worden beschouwd dat eerder door de Nederlandse rechter in behandeling is genomen dan het verzoek tot echtscheiding van de vrouw in de Verenigde Staten van 11 november 1997, zodat de rechtbank terecht voorbij is gegaan aan de exceptie van litispendentie. Nu de man reeds op 5 november 1997 een echtscheidingsverzoek had ingediend en op 12 maart 1998 wederom een echtscheidingsverzoek indiende, moet het laatste verzoek gelet op de inhoud van deze beschikking worden beschouwd als een herhaling van het eerste verzoek."

Het hiertegen gerichte middel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat sprake is van twee afzonderlijke echtscheidingsprocedures, en dat de akte van 5 november 1997 niet als inleidend verzoekschrift kan worden aangemerkt in de echtscheidingsprocedure die heeft geleid tot de beschikking van de Rechtbank van 10 november 1998 en de beschikking van het Hof van 16 juli 1999. Deze tweede procedure, aldus het middel, is eerst aanhangig gemaakt met de indiening van het verzoekschrift gedateerd 12 maart 1998, derhalve toen de op 11 november 1997 in de Verenigde Staten aangevangen echtscheidingsprocedure reeds aanhangig was.

3.2 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof een rechtsregel heeft geschonden door zich niet onbevoegd te verklaren op grond van het feit dat in de Verenigde Staten van Amerika reeds een echtscheidingsprocedure tussen partijen aanhangig was toen de man zijn verzoekschrift van 12 maart 1998 indiende.

Deze klacht faalt. Tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika is geen verdrag van kracht waarin is bepaald dat de Nederlandse rechter onbevoegd is kennis te nemen van een zaak die reeds tevoren bij een rechter in de Verenigde Staten aanhangig is gemaakt. Bij gebreke van zodanig verdrag brengt naar huidig Nederlands recht geen rechtsregel mee dat de Nederlandse rechter zich in deze zaak onbevoegd diende te verklaren (vgl. HR 22 december 1989, nr. 13718, NJ 1990, 689).

3.3 De verder door het middel aangevoerde klachten komen erop neer dat het Hof met betrekking tot het beroep van de vrouw op de exceptie van litispendentie een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, althans zijn beslissing niet voldoende heeft gemotiveerd, door ervan uit te gaan dat de echtscheidingsprocedure waarin de Rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken, reeds aanhangig was voordat de vrouw in de Verenigde Staten een echtscheidingsprocedure had ingesteld.

Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgedragen. 's Hofs bestreden overwegingen moeten kennelijk aldus worden verstaan dat het Hof heeft geoordeeld dat de Rechtbank, nu zij in haar beschikking van 10 augustus 1998 niet op het door de man bij zijn op 5 november 1997 gedane echtscheidingsverzoek heeft beslist en ermee heeft volstaan dit verzoek als een nieuw ingediend echtscheidingsverzoek aan te merken, in haar beschikking van 10 november 1998 niet alleen op het door de man op 13 maart 1998 ingediende verzoekschrift maar ook op dat verzoek van 5 november 1997 heeft beslist. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en berust op een aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitleg van de beschikkingen van de Rechtbank. De omstandigheid dat de Rechtbank in haar beschikking van 10 november 1998 uitsluitend het rekestnummer 98/1684 en het op 13 maart 1998 ingediende verzoekschrift heeft vermeld, behoefde het Hof niet van dat oordeel te weerhouden, nu uit rov. 3 van die beschikking (hiervoor in 1.4 geciteerd) blijkt dat ook de Rechtbank ervan uitging dat de man zijn verzoek tot echtscheiding reeds op 5 november 1997 bij haar had ingediend; ook overigens kan ’s Hofs oordeel niet als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd worden beschouwd. Uitgaande van voormeld oordeel, heeft het Hof terecht beslist dat de tweede appelgrief van de vrouw ongegrond is.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 8 september 2000.