Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA7008

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-09-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35445
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 10
Wet op de loonbelasting 1964 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1304 met annotatie van Van Nispen tot Sevenaer
FED 2000/489
BNB 2000/323
WFR 2000/1356
V-N 2000/43.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35445

6 september 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 april 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1990 tot en met 31 december 1990 een naheffingsaanslag in de loonbelasting opgelegd, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van f 17.793,--.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak waarvan beroep heeft vernietigd en de naheffingsaanslag heeft verminderd tot f 17.177,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende had in 1990 als bedrijfsactiviteiten voornamelijk de export van gebruikte bedrijfsauto’s naar Griekenland. De grootste afnemer was A in Griekenland. Enig werknemer van belanghebbende was in 1990 B. C hield in 1990 alle aandelen in belanghebbende.

Naar aanleiding van een boekenonderzoek zijn door de Inspecteur de volgende bedragen aangemerkt als door belanghebbende betaalde lonen:

bovenmatige kilometervergoeding incl. reiskosten

woon-werk f 13.115,--

onderhoud privé Mercedes f 995,--

privé-reis B f 2.058,--

verteerkosten f 1.138,--

kosten Griekse chauffeurs f 15.594,--

------------

Totaal netto: f 32.900,--.

De laatste post betreft vergoedingen die belanghebbende - naar zij stelt - heeft betaald aan chauffeurs die in loondienst waren van Griekse afnemers. Per te vervoeren auto zou belanghebbende aan hen f 1.500,-- vergoeding hebben betaald voor diverse kosten. De Inspecteur heeft het aan deze post toegerekende bedrag van f 15.594-- te dier zake als loon aangemerkt. Uitgaande van een inkomstenbelastingtarief van 35,1% heeft de Inspecteur na bezwaar de naheffingsaanslag berekend over een bruto-loon van f 50.693,-- en de naheffingsaanslag verminderd tot f 17.793,--.

3.2. Voor het Hof waren alle correcties in geschil behoudens de post ‘onderhoud privé Mercedes’. Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld, behoudens de post verteerkosten.

3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, op wie in de gegeven omstandigheden de bewijslast rust aannemelijk te maken dat de schatting van de Inspecteur van het aantal belastingvrij te vergoeden kilometers onjuist is, met hetgeen zij aanvoert in onder meer het oorspronkelijke beroepschrift van 24 maart 1997, bijlage A-1 onder 1.3.5, zulks niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel kan, als berustend op de aan het Hof voorbehouden waardering van de bewijsmiddelen, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst.

Voorzover middel II stelt dat het Hof in het licht van de van algemene bekendheid zijnde CBS-gegevens en de door belanghebbende aangevoerde feiten en argumenten nader had moeten motiveren waarom het de inschatting van de Inspecteur voor juist hield, faalt het, nu het Hof niet gehouden was op alle door belanghebbende aangevoerde argumenten in te gaan, en de CBS-gegevens, zo zij al van algemene bekendheid zijn, het Hof niet tot een ander oordeel hadden behoeven te brengen.

Voorzover middel II tevens een herhaling bevat van het betoog dat in mei/juni 1991 de kilometerteller van de auto is vervangen, kan het evenmin tot cassatie leiden, aangezien deze gebeurtenis niet van betekenis is voor de schatting van het aantal belastingvrij te vergoeden kilometers in 1990.

3.2.2. Ter zake van de post kosten Griekse chauffeurs, waarvan belanghebbende heeft gesteld dat zij in 1990 in totaal f 31.500,-- heeft betaald aan chauffeurs die in loondienst waren van Griekse afnemers, van welk bedrag de Inspecteur f 15.594,-- niet in aftrek heeft aanvaard, heeft het Hof belanghebbende niet geslaagd geacht in de op haar rustende last te bewijzen dat de gestelde uitgaven als kostenvergoedingen kunnen worden aangemerkt, en geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat ten minste ongeveer de helft van het genoemde bedrag - waarbij het Hof kennelijk het oog heeft gehad op eerstgenoemd bedrag - aan B dan wel aan onbekenden ten goede is gekomen.

Tegen het hiervóór weergegeven oordeel keert zich middel I.

Het middel slaagt. Dit oordeel is onbegrijpelijk. Na in het midden gelaten te hebben of aan B dan wel aan onbekenden het niet in aftrek aanvaarde bedrag ten goede is gekomen, en niet te hebben vastgesteld of die onbekenden in loondienst waren bij belanghebbende of in enige relatie van persoonlijke aard stonden tot B, had het Hof dit bedrag niet zonder meer als loon mogen aanmerken.

3.2.3. Middel III kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsont-wikkeling.

3.3. Gelet op het hiervóór in 3.2.2 overwogene kan ‘s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en omtrent de proceskosten;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door belanghebbende ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.130,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 6 september 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor en D.G. van Vliet, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.