Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6337

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/376HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6337
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 2, geldigheid: 2000-06-30
Wet op de rechterlijke organisatie 24, geldigheid: 2000-06-30
Wet op de rechterlijke organisatie 28a, geldigheid: 2000-06-30
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 44, geldigheid: 2000-06-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 29, geldigheid: 2000-06-30
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 157b, geldigheid: 2000-06-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 382
NJ 2001, 316
RvdW 2000, 170
JWB 2000/109

Uitspraak

30 juni 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/376HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. L. van Heijningen,

t e g e n

1. de rechtspersoon NEDERLANDSE CENTRALE ORGANISATIE VOOR TOEGEPAST NATUURWETEN-SCHAPPELIJK ONDERZOEK, gevestigd te Delft,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid KONINKLIJKE NEDERLANDSE TOERISTENBOND ANWB,

VERWEERSTERS in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij twee exploiten van 4 februari 1997 verweersters in cassatie - verder te noemen: TNO en ANWB - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage en - verkort weergegeven - gevorderd a) ANWB een bevel te geven tot rectificatie van een artikel verschenen in november 1991 in haar blad de Kampeer en Caravan Kampioen omtrent de werking en veiligheid van de Stabifix, een zogenaamde koppelingstabilisator die door [eiser] is ontworpen, b) ANWB te verbieden voormeld artikel te (doen) verspreiden, c) ANWB en TNO te veroordelen tot betaling van ƒ 500.000,-- als voorschot op de door [eiser] geleden schade en d) ANWB EN TNO te veroordelen tot afgifte van het in de dagvaarding nader omschreven rapport.

Bij de aanvang van de zitting heeft [eiser] de President verzocht de zaak naar een andere rechtbank te verwijzen. Bij tussenvonnis van 10 februari 1997 heeft de President het verzoek van [eiser] afgewezen.

Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij tussenarrest van 25 november 1997 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen om de procureur van [eiser] de gelegenheid te geven een vormfout te herstellen (het ondertekenen van de memorie van grieven) en zich uit te laten over de vraag of de regel van art. 157b Rv. in de weg staat aan dit hoger beroep. Bij eindarrest van 22 september 1998 heeft het Hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

Het eindarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het eindarrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen TNO en ANWB is verstek verleend.

[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor wat betreft de door [eiser] ingestelde vorderingen en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar hetgeen hiervoor in 1 is overwogen en naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer (verder: de conclusie).

3.2 Het middel keert zich tegen de beslissing van het Hof en de gronden waarop zij berust. De Hoge Raad zal eerst onderdeel II behandelen. Het onderdeel keert zich tegen de door het Hof in zijn rov. 4 gegeven oordeel. De klachten van het onderdeel komen in hoofdzaak erop neer dat de in die rechtsoverweging vermelde omstandigheden het Hof tot de slotsom hadden moeten brengen dat de bij [eiser] bestaande vrees voor gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de Rechtbank en het Hof objectief gerechtvaardigd was.

3.3 Bij de beoordeling van het onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Naast degenen die de functie van rechter als hoofdfunctie uitoefenen kent de Wet op de rechterlijke organisatie rechters-plaatsvervangers die de functie van rechter als nevenfunctie kunnen uitoefenen (art. 2 RO; zie ook de art. 3 - 5 van de Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten en de Wet rechts- positie rechterlijke ambtenaren). Rechters en rechters-plaatsvervangers moeten aan dezelfde wettelijke eisen voldoen. Art. 44 lid 1 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalt, voor zover hier van belang, dat rechterlijke ambtenaren - met uitzondering van de plaatsvervangers - niet tevens advocaat of procureur kunnen zijn. De benoeming van een advocaat tot rechter-plaatsvervanger is naar geldend recht dus toegestaan. Binnen de rechterlijke macht geldt de ongeschreven regel dat de advocaat die tevens rechter-plaatsvervanger is, zich als rechter-plaatsvervanger onthoudt van het behandelen van en beslissen in zaken, waarmee hijzelf of een van zijn kantoorgenoten van doen heeft (gehad). Art. 34 lid 2 van de gedragsregels voor advocaten 1992, geciteerd in punt 2.11 van de conclusie, verbiedt het optreden als advocaat voor een rechterlijk college indien een kantoorgenoot als rechter-plaatsvervanger (of in enige andere functie, bijvoorbeeld griffier) bij de behandeling van de zaak is of zal worden betrokken. Schending van deze gedragsregel door een advocaat kan leiden tot disciplinaire maatregelen. Tenslotte kan in dit verband worden gewezen op de mogelijkheid van wraking en verschoning van rechters (art. 29 - 36 Rv.).

Dit een en ander leidt tot de slotsom dat, anders dan het onderdeel kennelijk aanneemt, geen grond is voor de veronderstelling dat advocaten de functie van rechter-plaatsvervanger niet op onpartijdige en onafhankelijke wijze zouden kunnen uitoefenen en dat zulks in het bijzonder het geval zou zijn indien zij die functie zouden uitoefenen in hun eigen arrondissement. In tegendeel: blijkens het vorenstaande zijn er voldoende waarborgen aanwezig voor een onpartijdige en onafhankelijke uitoefening van de functie van rechter-plaatsvervanger door advocaten, ook in hun eigen arrondissement.

3.4 Voor zover het onderdeel erover klaagt dat er geen waarborgen zijn tegen beïnvloeding van de rechters in de feitelijke instanties die over de onderhavige zaak oordelen door hun collega’s rechters-plaatsvervangers die tevens advocaat zijn bij het kantoor waaraan de advocaten van de ANWB en TNO zijn verbonden en dat de schijn van partijdigheid en afhankelijkheid mede is gewekt door verbindingen tussen de Rechtbank en de ANWB, zoals nader aangeduid in punt 1.5 van de conclusie, faalt het op de gronden vermeld in de punten 2.16 - 2.18 van de conclusie.

3.5 In rov. 4 heeft het Hof aansluiting gezocht bij de in punt 2.13 van de conclusie vermelde jurisprudentie van het EHRM omtrent het in art. 6 par. 1 EVRM geldende vereiste van, voor zover hier van belang, behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd. 's Hofs oordeel dat de door [eiser] genoemde verbindingen tussen enerzijds de Rechtbank onderscheidenlijk het Hof en anderzijds het kantoor waaraan de advocaten van de ANWB en TNO zijn verbonden op zichzelf onvoldoende zwaarwegend zijn voor een objectief gerechtvaardigde twijfel omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van Rechtbank en Hof, is, mede tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.3 en 3.4 is overwogen, juist.

Het onderdeel faalt derhalve.

3.6 Nu het door onderdeel II tevergeefs bestreden oordeel van het Hof zijn beslissing die erop neerkomt dat geen grond aanwezig is om de zaak naar een ander hof of een andere rechtbank dan de Rechtbank te 's-Gravenhage te verwijzen, zelfstandig draagt, kan onderdeel I - hoezeer het op zichzelf ook doel treft op de gronden vermeld in de punten 2.1 - 2.6 van de conclusie - bij gebreke aan belang niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de ANWB en TNO begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren P. Neleman, als voorzitter, R. Herrmann, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemkserk op 30 juni 2000.