Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6316

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7, geldigheid: 2000-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 957 met annotatie van Van Dongen
FED 2000/360
FED 2000/545
BNB 2000/376
WFR 2000/1033, 1
V-N 2000/33.23

Uitspraak

Nr. 35433

28 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de fiscale eenheid X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 28 mei 1999 betreffende na te melden beschikking van de Inspecteur.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is door de Inspecteur op 4 september 1997 een beschikking gegeven, onder meer inhoudende dat belanghebbende niet een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) vormt met de aandeelhouders van A B.V. Het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende, een fiscale eenheid voor de omzetbelasting, houdt zich bezig met het verstrekken van organisatie-adviezen. Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door zogenoemde personal holdings, door ieder voor een gelijk deel. De aandelen in de personal holdings zijn telkens voor 100 procent in handen van verschillende natuurlijke personen, die tevens werknemer (directeur) van hun personal holding zijn. Belanghebbende heeft met de personal holdings managementovereenkomsten gesloten. In die overeenkomsten verplichten de personal holdings zich tegen vergoeding de volledige arbeidskracht en kennis van haar directeur/aandeelhouder ter beschikking te stellen aan belanghebbende. De personal holdings hebben voorts een samenwerkingsovereenkomst gesloten met als doel de samenwerking tussen de personal holdings en belanghebbende te regelen. De directie van belanghebbende wordt gevormd door een aantal directeuren van de personal holdings. Elke drie jaar vindt een directiewijziging plaats.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende en de personal holdings geen fiscale eenheid voor de omzetbelasting kunnen vormen, omdat in casu niet is voldaan aan het vereiste van financiële verwevenheid, nu de aandelen in de personal holdings in handen zijn van verschillende natuurlijke personen en de financiële positie van een personal holding in het geheel niet afhankelijk is van de financiële positie van de andere personal holdings.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting van artikel 7, lid 4, van de Wet en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het middel, dat ’s Hofs oordeel bestrijdt, kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroorde-ling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet admi-nistratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 28 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.