Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6314

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34921
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229, geldigheid: 2000-06-28
Gemeentewet 227 (oud), geldigheid: 2000-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 985 met annotatie van de Graaf
Belastingblad 2000/945
BNB 2000/274
FED 2000/547
FED 2000/359
WFR 2000/1033
V-N 2000/30.28

Uitspraak

Nr. 34921

28 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 23 oktober 1998 betreffende het na te melden door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

X B.V. te Z over het tijdvak januari 1992 tot en met april 1992 op aangifte voldane bedrag aan binnenhavengeld van de gemeente Harlingen.

1. Voldoening op aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft over het tijdvak januari 1992 tot en met april 1992 een bedrag van f 99.816,-- aan binnenhavengeld van de gemeente Harlingen op aangifte voldaan. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harlingen (hierna: B en W) bij uitspraak het bezwaar tegen de aangifte ongegrond verklaard en besloten ten aanzien van dit bedrag geen teruggaaf te verlenen.

Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en bepaald dat het door belanghebbende op aangifte voldane bedrag van f 99.816,-- aan haar wordt teruggegeven. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

B en W hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. De Verordening

In de gemeente Harlingen gold in het onderhavige tijdvak een Havengeldverordening Binnenschepen 1989 (hierna: de Verordening), waarvan artikel 1 luidde:

“Onder de naam binnenhavengeld wordt een recht geheven ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde gemeentewateren of van andere wateren die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente Harlingen.”

Artikel 2 van de Verordening luidde, voorzover in cassatie van belang:

“Voor de toepassing van de bepalingen van deze verordening wordt verstaat onder: (…)

8a. Veerschip: een passagiersschip dat is bestemd of wordt gebruikt volgens een vooraf aangekondigd, volledig en voor ieder verkrijgbaar vaarplan, waarin Harlingen als haven van herkomst of van bestemming is opgenomen; (…)

15. Gebruik van de haven: het in artikel 1 bedoelde gebruik van voor de openbare dienst bestemde wateren of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, voor zover liggende binnen de grenzen van de gemeente Harlingen; (…)”

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende onderhield met veerschepen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 8a, van de Verordening veerdiensten tussen Harlingen en de eilanden R en S en maakte daartoe gebruik van de haven te Harlingen. De in de haven aanwezige infrastructuur voor de verwerking van het passagiersaanbod ten behoeve de veerschepen was eigendom van belanghebbende, een andere vennootschap en/of Rijkswaterstaat. Het havenwatergebied was eigendom van de gemeente Harlingen. Op grond van de bij de Verordening behorende tarieventabel was de heffingsmaatstaf voor het binnenhavengeld bij veerschepen - naast de oppervlakte van die schepen - het aantal inschepende en ontschepende passagiers. Het geschil, zowel bij het Hof als in cassatie, betreft uitsluitend deze heffing per passagier, hierna passagiersheffing te noemen.

4.2. Naar de vaststelling van het Hof heeft belanghebbende ter zitting onweersproken gesteld dat de mate van het gebruik van het watergebied niet wordt beïnvloed door het aantal passagiers dat wordt ingescheept of ontscheept. Volgens het middel is die vaststelling onbegrijpelijk en hebben B en W deze stelling wel weersproken, maar wat daarvan ook zij, het Hof heeft tevens geoordeeld dat die stelling niet onaannemelijk is.

4.3. Volgens het middel berust dit oordeel op een te beperkte uitleg van het begrip “gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentewateren of van andere wateren die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente” in artikel 1 van de Verordening. Anders dan het Hof heeft aangenomen, zou dat begrip niet slechts het gebruik van het watergebied van de haven omvatten, maar tevens dat van de havenfaciliteiten. Dat betoog kan echter niet als juist worden aanvaard. Vóór 1 januari 1992 luidde de tekst van deze bepaling aldus dat daarin naast het gebruik van “gemeentewateren” ook het gebruik van “andere voor de openbare dienst bestemde werken en inrichtingen” als belastbaar feit werd genoemd. Mede gelet op deze wijziging kan de nieuwe bepaling, overeenkomstig de betekenis van de tekst ervan volgens normaal spraakgebruik, niet anders worden uitgelegd dan dat het binnenhavengeld voortaan alleen terzake van het gebruik van de wateren, niet van de overige faciliteiten, zou worden geheven. Weliswaar wijst de hiervoor onder 3 aangehaalde tekst van artikel 2, aanhef en onder 15, van de Verordening in andere richting, maar daargelaten de mogelijkheid dat het hier gaat om een onbedoeld verzuim de tekst van deze bepaling aan te passen aan de hiervoor bedoelde wijziging, kan het bestaan van deze bepaling niet afdoen aan de in artikel 1 als basis van de Verordening vooropgezette omschrijving van het belastbare feit. In zoverre faalt het middel dan ook.

4.4. Voor het overige is het in 4.2 vermelde oordeel van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Ook in zoverre faalt het middel derhalve voorzover het is gericht tegen dat oordeel.

4.5. Aan dat oordeel heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat, zakelijk weergegeven, de passagiers-heffing, waarvan de hoogte aldus afhankelijk is gesteld van omstandigheden die geen invloed hebben op de mate van gebruik, tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing leidt en dat de Verordening derhalve wat betreft de passagiersheffing onverbindend is. Met dat oordeel heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de passagiersheffing - die moet worden gerekend tot de gebruiksretributies als bedoeld in artikel 277, lid 1, aanhef en letter b, onder 1º, van de gemeentewet (tekst tot 1994) - zich niet richt naar het gebruik dat met de veerschepen van de gemeentewateren wordt gemaakt, zodat aan de passagiersheffing verbindende kracht moet worden ontzegd. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.3 is overwogen over de uitleg van de Verordening, is dit oordeel juist, zodat het middel ook faalt voorzover het tegen dit oordeel is gericht.

4.6. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Proceskosten

B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep,

- veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 2.840,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

- wijst de gemeente Harlingen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 28 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier P.E. Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van B en W wordt ter zake van het door hen ingestelde beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--.