Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6308

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
01125/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 39, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 391
NJ 2000, 605

Uitspraak

27 juni 2000

Strafkamer

nr. 01125/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

18 juni 1999 in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere.

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 21 oktober 1998 - de verdachte ter zake van 1. “moord” en 2. en 3. “poging tot moord, meermalen gepleegd” veroordeeld tot acht jaren gevangenisstraf en waarbij is gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen op 3 mei 2000 nog ingekomen brief van de raadsman.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde voorzover inhoudende dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, niet uit de ten aanzien van die feiten gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het Hof een verweer dienaangaande op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft voormeld verweer zakelijk samengevat, en dienaangaande overwogen en beslist, als op blz. 3 en 4 van het verkorte arrest en onder 3.2 in de conclusie van de Advocaat-Generaal is weergegeven.

3.3. Het Hof heeft uit zijn in de gebezigde bewijsmid-

delen en de overwegingen ter verwerping van voormeld bewijsverweer vastgestelde feiten en omstandigheden

afgeleid, hetgeen niet onbegrijpelijk is, dat de verdachte na het mislukken van een laatste verzoeningspoging met zijn vrouw besloten heeft zijn aanvankelijke voornemen, door het Hof voorwaardelijk genoemd, om zijn kinderen te vermoorden tot uitvoering te brengen en dat van een onderbroken voornemen in de door de raadsman bedoelde zin geen sprake is geweest. Het Hof heeft voormeld verweer verworpen op gronden welke deze verwerping kunnen dragen en de bewezenverklaringen ook voor wat de voorbedachte raad betreft naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4. Het middel faalt derhalve in zoverre.

3.5. Voor de in de toelichting op het middel vervatte stelling dat van voorbedachte raad slechts sprake is als de verdachte zich rekenschap heeft gegeven van de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, is in zijn algemeenheid geen steun te vinden in het recht. Voldoende is dat verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

3.6. Het middel faalt derhalve ook in zoverre.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel klaagt over ´s Hofs verwerping van het verweer dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, althans dat hij de feiten in een toestand van psychische overmacht vanwege de invloed van “voodoo” heeft begaan.

4.2. Het Hof heeft voormeld verweer samengevat en dienaangaande overwogen en beslist als op blz. 5 van het verkorte arrest is weergegeven.

4.3. ´s Hofs overwegingen houden onder meer in dat de verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting zich heeft afgevraagd of, en zo ja, welke kinderen bij zijn ex-vrouw dienden te worden achtergelaten en dat het aan hem lag dat hij die afweging maakte. Het Hof heeft op grond van het aldus verklaarde het standpunt van de in

´s Hofs overwegingen genoemde deskundige prof. De Jong, dat de keuze om zijn kinderen te vermoorden op verdachtes persoonlijke conto kan worden geschreven, onderschreven en tot het zijne gemaakt.

4.4.´s Hofs op voormelde grond steunende oordeel dat, zo er al sprake zou zijn van een voodoo-invloed, deze in ieder geval niet tegen de slachtoffers was gericht, is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet verder worden getoetst. Het Hof heeft het verweer dat de verdachte voor diens handelen ten aanzien van zijn kinderen straffeloos is verworpen op gronden welke deze verwerping kunnen dragen.

4.5. Het middel faalt derhalve.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president

W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 juni 2000.