Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6303

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00768/99 A
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6303
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 321, geldigheid: 2000-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 388
NJ 2000, 616

Uitspraak

27 juni 2000

Strafkamer

nr. 00768/99 A

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een vonnis van het

Gemeenschappelijk Hof van

Justitie van de Nederlandse

Antillen en Aruba van

18 mei 1999 in de strafzaak

tegen:

[verdachte], geboren op [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1951, wonende op [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba van 4 december 1998 - de verdachte ter zake van 1. "verduistering, waarbij de schuldige het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft" en 2. "medeplegen van valsheid in geschrifte" veroordeeld tot dertig dagen gevangenisstraf, waarvan negentien dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad vaststelt dat de tenlastelegging onder 1 op een onderdeel innerlijk tegenstrijdig is en dat de Hoge Raad de inleidende dagvaarding in zoverre nietig zal verklaren, alsmede dat de Hoge Raad de in voorarrest doorgebrachte tijd op het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal brengen, met verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het eerste middel en ambtshalve

3.1. Het eerste middel komt met een aantal klachten op tegen de motivering van hetgeen onder 1 is bewezenverklaard en de daaraan door het Hof gegeven kwalificatie.

3.2. Voor wat betreft de onder 1 bewezenverklaarde handelingen van de verdachte met betrekking tot een ticket houden de gebezigde bewijsmiddelen in dat de verdachte een (business class-)ticket heeft ontvangen ten behoeve van het maken van een dienstreis, dat hij deze dienstreis niet heeft gemaakt tengevolge van de gezondheidstoestand van zijn echtgenote en dat hij dat ticket vervolgens geruime tijd onder zich heeft gehouden.

Uit het onder deze omstandigheden onder zich houden van dat ticket kan niet zonder meer volgen dat de verdachte zich dat ticket heeft toegeƫigend. De bewezen-verklaring onder 1 is dus in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3.2 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat het eerste middel voor het overige en het derde middel geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde gegeven beslissingen en de strafoplegging;

Verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, H.A.M. Aaftink, A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 juni 2000.