Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6299

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/155HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SJP 2000/138
JOL 2000, 363
NJ 2001, 347
PW 2001, 21366
RvdW 2000, 162
V-N 2000/35.29
JWB 2000/107

Uitspraak

23 juni 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/155HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: jhr. mr. A.J. Sandberg,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 13 oktober 1997 ter griffie van de rechtbank te Haarlem ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die rechtbank en verzocht:

a. tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - op 8 mei 1968 te [plaatsnaam] onder huwelijkse voorwaarden gehuwd, echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed uit te spreken;

b. de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie te bepalen op een bedrag van ƒ 2.500,-- per maand.

De vrouw heeft bij akte de rechtbank verzocht het exploit van betekening nietig te verklaren, te bepalen dat de rechtbank niet bevoegd is ter zake van het onderhavige scheidingsverzoek cum annexis, althans de man niet-ontvankelijk te verklaren.

Bij beschikking van 25 november 1997 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van de onderhavige zaak kennis te nemen en de zaak naar de Rechtbank te Amsterdam verwezen.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en zelfstandig verzocht:

1. het verzoek van de man tot echtscheiding af te wijzen, althans hem daarin niet-ontvankelijk te verklaren;

2. ingeval de echtscheiding toch wordt uitgesproken te bepalen dat de man voor het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking zal dienen te betalen een bedrag van ƒ 10.000,-- per maand onder aftrek van de door haar te ontvangen AAW/WAO-uitkering;

3. de vrouw ontvankelijk te verklaren ten aanzien van haar verzoek om de man te veroordelen tot betaling van hetgeen waarop zij aanspraak heeft krachtens het verrekenbeding tussen partijen, het bedrag vast te stellen van de helft van het vermogen van partijen onder uitzondering van hetgeen niet onder het verrekenbeding valt, en de man te veroordelen bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad om aan de vrouw uit te betalen de helft van het voormelde gezamenlijke vermogen onder aftrek van hetgeen zij reeds in eigendom heeft, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 1997 tot aan de dag van algehele voldoening.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 5 augustus 1998 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man ƒ 4.400,-- per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek met betrekking tot de vaststelling van het vermogen en de betaling door de man van de helft van dat vermogen krachtens het verrekenbeding tussen partijen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 8 juli 1999 heeft het Hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep voor zover betrekking hebbend op de alimentatie-uitkering en de echtscheiding, de beschikking waarvan beroep voor het overige bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende. (i) Partijen zijn op 8 mei 1968 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Zij hebben drie, thans meerderjarige, kinderen. (ii) Art. 2 van de akte van huwelijksvoorwaarden behelst een verrekenbeding luidende:

"De kosten van de huishouding en van het onderhoud en de opvoeding van hun kinderen, worden door de echtgenoten tezamen gedragen naar evenredig- heid van hun zuivere jaarlijkse inkomsten. Aan het einde van elk kalenderjaar zullen de echtgenoten vaststellen welk gedeelte van de kosten, bedoeld in het voorgaande lid, ten laste van elk hunner komt en zullen deze kosten tussen hen worden verrekend. De vrouw zal in die kosten nooit meer bijdragen dan het bedrag van haar inkomsten in dat jaar. Blijkt bij deze vaststelling dat de gezamenlijke zuivere inkomsten meer hebben bedragen dan de kosten, dan zal het verschil tussen de echtgenoten bij helften worden gedeeld en verrekend. Het recht om deze vaststelling en verrekening te vorderen, vervalt na verloop van het kalenderjaar, volgend op dat waarop deze betrekking hebben."

(iii) Enige verrekening op grond van art. 2 heeft nooit plaatsgevonden. (iv) Partijen leven sinds 12 september 1990 feitelijk gescheiden. De vrouw is bij dagvaarding van 15 januari 1991 een echtscheidingsprocedure begonnen. Voor het eerst in augustus 1996 heeft zij een beroep gedaan op het verrekenbeding. Zij heeft haar vordering tot echtscheiding op 6 november 1996 ingetrokken. Op grond van het verrekenbeding maakt zij thans in de onderhavige procedure aanspraak op de, ongeveer ƒ 3,5 miljoen belopende, helft van het vermogen van partijen - voorzover niet aangebracht, door schenking of door vererving verkregen - per 13 oktober 1997, de dag waarop de man het onder 1 vermelde verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend. (v) De man is enig directeur en groot-aandeelhouder van [..] Beheer B.V., houdster van de aandelen in, voor zover in cassatie van belang, een viertal dochtermaatschappijen. Naast de aandelen in [..] Beheer B.V. heeft hij geen noemenswaardig vermogen. Blijkens de geconsolideerde balans per 31 december 1995, 1996, en (concept) 1997 bedroeg het eigen vermogen van de [..]groep, een sedert 1935 bestaand familiebedrijf, onderscheidenlijk ƒ 7.248.277,--, ƒ 6.654.860,-- en ƒ 6.606.846,--. Het resultaat na belastingen over die jaren bedroeg onderscheidenlijk ƒ 66.936,--, en ƒ 592.417,-- negatief en ƒ 48.014,-- negatief.

(vi) De [..]groep heeft in 1995 een investering in Rusland gedaan die tot een fors verlies heeft geleid.

(vii) De vrouw woont in de op haar naam staande voormalige echtelijke woning, waarvan de waarde op 27 mei 1997 werd getaxeerd op ƒ 505.000,--. Zij heeft zelf pensioenrechten opgebouwd ten bedrage van ƒ 688,-- en ƒ 4.319,-- per jaar vanaf haar pensioendatum, en heeft recht op de helft van het door de man tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen (in totaal ƒ 70.420,-- per jaar bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar).

3.2 De Rechtbank heeft de vrouw niet-ontvankelijk ver- klaard in haar onder 1 vermelde verzoek met betrekking tot het verrekenbeding. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn er geen aanwijzingen dat de wetgever heeft bedoeld ook verrekenprocedures onder de werking van art. 827 lid 1, onder b, Rv. te laten vallen.

3.3 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man, die het verzoek van de vrouw met betrekking tot het verrekenbeding onder meer bestreed met een beroep op de in art. 2 opgenomen vervaltermijn, aan de vrouw een aanbod gedaan, inhoudende dat:

- de vrouw het door haar ontvangen voorschot van ƒ 150.000,-- op een mogelijke verrekening, in kort geding door het hof opgelegd bij arrest van 20 november 1997, niet behoeft terug te betalen;

- de echtelijke woning zonder verdere verrekening ter vrije beschikking aan de vrouw blijft;

- de man afziet van zijn vorderingen en die van de [..]groep op de vrouw;

- de vrouw een bedrag zal ontvangen van ƒ 300.000,-- te betalen in negen jaarlijkse termijnen;

- de alimentatie zoals vastgesteld door de Rechtbank op 5 augustus 1998 (ƒ 4.400,-- per maand) zal worden gehandhaafd, zonder indexering, tot aan het 65ste levensjaar van de vrouw.

De man heeft dit aanbod ter zitting gestand gedaan, ook voor het geval het Hof zijn beroep op de vervaltermijn zou honoreren.

3.4 Anders dan de Rechtbank, was het Hof van oordeel dat het in het systeem van de wet past de verrekening op grond van de huwelijkse voorwaarden te verzoeken in het echtscheidingsgeding. Het heeft evenwel de in hoger beroep aangevallen beschikking bekrachtigd, zulks op grond van zijn oordeel dat het door de man op het vervalbeding gedane beroep gehonoreerd dient te worden nu dit, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet onredelijk of onbillijk is. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen:

"Hoewel de redelijkheid van de door de man aangeboden regeling niet als zodanig aan het hof ter beoordeling is voorgelegd, laat het hof het enkele gegeven dat de man deze toezegging heeft gedaan meewegen bij de beoordeling van de vraag of zijn beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is. Immers dient uitgangspunt te zijn dat een beroep op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, tenzij blijkt van omstandigheden, die een beroep op dit beding rechtvaardigen. Deze regel is met name geïnspireerd door de gedachte, dat partijen in het algemeen niet verrekenen, zolang de huwelijkse samenleving voortduurt, en zich van de consequenties veelal niet bewust zijn. In casu is voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw vanaf het begin van de eerste, door haar aangespannen, echtscheidings-procedure in 1991 voorzien geweest is van rechtskundige bijstand, maar tot augustus 1996 nooit een beroep op verrekening heeft gedaan. De vrouw heeft geen goede argumenten aangedragen die daaraan, na het verbreken van de huwelijkse samenleving, in de weg stonden, en kan zich in redelijkheid vanaf het moment van het inwinnen van rechtskundig advies er niet meer op beroepen dat zij zich van de consequenties van het laten verstrijken van de overeengekomen termijn niet bewust was. De man heeft zich pas vanaf augustus 1996 geconfronteerd gezien met de aanspraak van de vrouw op verrekening krachtens de huwelijkse voorwaarden. Hij heeft aangevoerd dat hij, nog afgezien van de onacceptabele gevolgen waartoe een verrekening zoals door de vrouw verzocht zal leiden voor de man en de [..] Groep als familiebedrijf, ware hij eerder op de hoogte geweest van de claim van de vrouw van ongeveer ƒ 3,5 miljoen, het risico van de - naar gebleken is verlieslijdende - investeringen in Rusland niet zou hebben durven nemen. Dit laatste wordt door het Hof aannemelijk geacht. Deze omstandigheden bewerkstelligen, mede in het licht van het door de man gedane aanbod dat - wat er overigens van zij - maakt dat niet gezegd kan worden dat de vrouw niet goed verzorgd zal zijn, dat het beroep op het vervalbeding niet onredelijk of onbillijk is."

3.5 Onderdeel 1 van het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het Hof, nadat het had geoordeeld dat de Rechtbank de vrouw ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard in haar verzoek met betrekking tot de verrekening op de grond dat een dergelijk verzoek niet mogelijk is in het kader van een echtscheidingsprocedure, de zaak had moeten terugverwijzen naar de Rechtbank. Deze klacht faalt. De niet-ontvankelijkverklaring moet worden aangemerkt als een einduitspraak. Door het hoger beroep tegen een einduitspraak wordt in beginsel de gehele zaak, zoals deze voor de eerste rechter diende, ter beslissing naar de hogere rechter overgebracht. Deze regel, die in een geval als het onderhavige geen uitzondering lijdt, brengt mee dat de hogere rechter zich niet deels aan deze hem opgedragen taak mag onttrekken door een gedeelte van de beslissing van het aan zijn oordeel onderworpene over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven (HR 16 april 1993, nrs. 14937 t/m 14941, NJ 1993, 654).

3.6 De tweede klacht van onderdeel 1 treft evenmin doel. Het Hof was niet gehouden om, nadat het in tegenstelling tot de Rechtbank tot het oordeel was gekomen dat het verzoek van de vrouw wel in het kader van een echtscheidingsprocedure kon worden gedaan, een nadere behandeling te gelasten alvorens inhoudelijk op dit verzoek te beslissen.

3.7 Onderdeel 2 mist naast de onderdelen 4, 5 en 6 zelfstandige betekenis, en behoeft derhalve geen afzonderlijke behandeling.

3.8 Onderdeel 3 faalt omdat de daarin verdedigde stelling, dat op een vervalbeding als waarvan hier sprake is nooit een beroep kan worden gedaan vóór de ontbinding van het huwelijk, geen steun vindt in het recht.

3.9 De onderdelen 4, 5 en 6 kunnen gezamenlijk worden behandeld. Zij keren zich tegen het oordeel van het Hof dat het door de man, ter afwering van de door de vrouw verzochte verrekening per 13 oktober 1997, gedane beroep op het vervalbeding niet onredelijk of onbillijk is.

Dit oordeel berust blijkens de hiervoor onder 3.4 vermelde overwegingen van het Hof op een samenstel van gronden, te weten: a) de vrouw kan zich vanaf het moment dat zij in 1991 rechtskundig advies heeft ingewonnen in verband met de toen door haar aangespannen echtscheidingsprocedure niet meer erop beroepen dat zij zich van de consequenties van het laten verstrijken van de vervaltermijn niet bewust was, b) zou de man hebben geweten dat de vrouw aanspraak maakte op ongeveer ƒ 3,5 miljoen, en daarmee op de helft van het eigen vermogen van het familiebedrijf van de man, dan zou hij het risico van de in 1995 in Rusland gedane investeringen, die het bedrijf een fors verlies hebben opgeleverd, niet hebben genomen, en c) de hiervoor onder 3.3 vermelde inhoud van het door de man, ook voor het geval dat het Hof zijn beroep op het vervalbeding zou honoreren, gedane aanbod.

De onderdelen 4 en 6 bevatten in de eerste plaats de klacht dat de man geen beroep heeft gedaan op de onder a) onderscheidenlijk c) vermelde grond. In het licht van de gedingstukken is echter geenszins onbegrijpelijk dat het Hof de stellingen van de man aldus heeft opgevat, dat hem mede in verband met het onder a) en c) vermelde een beroep op de vervaltermijn toekwam. In zoverre falen deze beide onderdelen .

De onderdelen falen ook voor het overige. Het Hof heeft, naar in cassatie niet is bestreden, bij de beantwoording van de vraag of de man een beroep op het vervalbeding toekwam terecht tot uitgangspunt genomen dat een dergelijk beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, tenzij blijkt van omstandigheden die een beroep op dit beding rechtvaardigen. 's Hofs oordeel dat dit laatste hier het geval is, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht.

3.10 Onderdeel 7 ten slotte, dat klaagt over de weigering van het Hof om "als door de vrouw overgelegd" kennis te nemen van de door de vrouw na afloop van de mondelinge behandeling aan het Hof toegezonden literatuur en jurisprudentie, faalt reeds wegens gemis aan belang. Blijkens rov. 3.1 van het Hof hebben die literatuur en jurisprudentie immers betrekking op de verrekening zelf, een vraagstuk waaraan het Hof niet is toegekomen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en

J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 juni 2000.