Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6297

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/125HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 361
NJ 2000, 517
RvdW 2000, 160
JWB 2000/105

Uitspraak

23 juni 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/125HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg,

t e g e n

[verweerster], in haar hoedanigheid van curator over [de curanda],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Op grond van art. 1:362 juncto art. 1:386 BW heeft de Kantonrechter te Utrecht bij beschikking van 2 september 1998 ambtshalve de schade aan het vermogen van [de curanda], geboren te [geboorteplaats], Nederlands Indië, op [geboortedatum] 1918, hierna: de curanda, als gevolg van het curatelebewind door verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - vastgesteld op een bedrag van ƒ 108.221,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag sedert 26 mei 1994, [verzoeker] veroordeeld tot vergoeding van deze schade en betaling van voornoemd bedrag aan de curanda, en deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht. Daarbij heeft [verzoeker] de Rechtbank verzocht de beschikking van de Kantonrechter te vernietigen, de schorsing te bevelen van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de gewraakte beschikking, en verweerster in cassatie - verder te noemen: de curator - te veroordelen in de kosten van deze procedure en/of de curator te veroordelen de kosten die [verzoeker] heeft gemaakt in verband met alle kosten van verweer en honoraria van advocaten ten laste van het vermogen van de curanda te brengen met toepassing van art. 1:358 BW.

Bij beschikking van 28 april 1999 heeft de Rechtbank voormelde beschikking van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de schade aan het vermogen van de curanda als gevolg van de bewindvoering en het curatelebewind door [verzoeker], vastgesteld op een bedrag van ƒ 32.280,28, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag sedert 26 mei 1994, [verzoeker] veroordeeld tot vergoeding van deze schade en betaling van voornoemd bedrag aan de curanda, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en hetgeen meer of anders is verzocht afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt ertoe dat de Hoge Raad

- de bestreden beschikking zal vernietigen, voor zover daarin is bepaald dat de wettelijke rente verschuldigd is sedert 26 mei 1994, en zal verstaan dat de wettelijke rente is verschuldigd sedert 20 juli 1998;

- het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij beschikking van de Kantonrechter te Utrecht van 8 september 1989 is een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de curanda en is [verzoeker] benoemd tot bewindvoerder.

(ii) Bij beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 2 september 1992 is de curanda onder curatele gesteld met benoeming van [verzoeker] tot curator.

(iii) Op vordering van de officier van justitie te Utrecht heeft de Rechtbank [verzoeker] bij beschikking van 7 december 1994 ontslagen als curator.

(iv) De Kantonrechter te Utrecht heeft [verzoeker] bij brieven van 26 mei 1994 en 20 juli 1998 aansprakelijk gesteld voor schade, berokkend aan het vermogen van de curanda tot een bedrag van ƒ 108.221,--, met dien verstande dat [verzoeker] de ontvangst van eerstgenoemde brief ontkent.

3.2 Middel 1 klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Kantonrechter bevoegd was tot het geven van de onder 1 vermelde beschikking. Het middel faalt. De Kantonrechter was op grond van art. 1:362 BW in verbinding met art. 1:386 BW bevoegd ambtshalve de onderhavige schade vast te stellen die het gevolg is geweest van slecht curatelebewind door [verzoeker] en voorts deze laatste tot vergoeding daarvan te veroordelen.

3.3 Onderdeel a van middel 2 klaagt dat de beschikking van de Kantonrechter vier jaar na diens laatste brief is gegeven en dat [verzoeker], in strijd met art. 6 EVRM, niet (voldoende) in de gelegenheid is gesteld te reageren op de voorgenomen beslissing. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu de Kantonrechter bij brief van 20 juli 1998 [verzoeker] heeft meegedeeld dat hij aansprakelijk werd gesteld en dat hij de gelegenheid had te reageren op de voorgenomen schadevaststelling.

Onderdeel b klaagt dat de Rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de verjaring van de vordering werd gestuit door de brief van de Kantonrechter van 26 mei 1994, nu [verzoeker] heeft betwist dat hij die brief heeft ontvangen. Deze klacht is gegrond. De Rechtbank heeft het verweer van [verzoeker] dat hij de brief van 26 mei 1994 niet heeft ontvangen, verworpen op de enkele grond dat deze brief naar hetzelfde adres is verstuurd als de eerder aan [verzoeker] verstuurde, wel door hem ontvangen, brieven. Aldus heeft de Rechtbank miskend dat, nu [verzoeker] de ontvangst van deze brief betwistte, bewezen diende te worden dat die brief hem had bereikt (art. 3:37 lid 3 BW) en dat daartoe onvoldoende is dat eerdere aan hetzelfde adres verstuurde brieven hem wel hadden bereikt.

De Rechtbank heeft evenwel het beroep op verjaring verworpen op twee zelfstandige gronden. De Rechtbank heeft immers "voorts" overwogen dat het [verzoeker] op grond van de brief van de Kantonrechter van 30 maart 1994 voldoende duidelijk moet zijn geweest dat de Kantonrechter zich niet kon verenigen met de door [verzoeker] afgelegde rekening en verantwoording. In die overweging ligt besloten dat de Rechtbank deze brief heeft opgevat als een schriftelijke mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW waardoor de verjaring (eveneens) is gestuit. Het onderdeel komt tegen deze overweging slechts op met het betoog dat [verzoeker] op deze brief van de Kantonrechter heeft gereageerd "met een uitgebreide accountantsrapportage en deswege daarmee de opgeworpen problematiek in die brief meende afdoende te hebben bestreden." Dit betoog ziet eraan voorbij dat de bestrijding van de aansprakelijkstelling - waaruit afdoende blijkt dat [verzoeker] de brief heeft ontvangen en heeft opgevat als een ondubbelzinnige bevestiging dat de Kantonrechter [verzoeker] hield aan zijn verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording - niet de stuiting van de verjaring opheft. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat de verjaring rechtsgeldig is gestuit.

Onderdeel c keert zich tegen de vaststelling in rov. 2.4 van de beschikking dat de Kantonrechter [verzoeker] bij brieven van 26 mei 1994 en 20 juli 1994 aansprakelijk heeft gesteld. Het onderdeel treft in zoverre doel dat de ontvangst van eerstgemelde brief is betwist en de Rechtbank ten onrechte niet op die betwisting is ingegaan. Voorts is juist dat laatstgemelde brief is gedateerd: 20 juli 1998, doch de Rechtbank heeft, zoals het onderdeel vermeldt, die fout hersteld op bladzijde 4 van haar beschikking. Uit de gegrondheid van het onderdeel vloeit voort dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente niet kan aanvangen op 26 mei 1994 doch eerst op 20 juli 1998.

3.4 Middel 3 klaagt terecht dat de Rechtbank niet is ingegaan op de grief van [verzoeker] dat de beschikking van de Kantonrechter niet in het openbaar is uitgesproken, doch het middel kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter heeft vernietigd en haar beschikking in het openbaar heeft uitgesproken.

3.5 Middel 4 bevat de klacht dat de Rechtbank heeft blijk gegegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zonder motivering de bewijsaanbiedingen van [verzoeker] te passeren.

Het middel faalt op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 19 tot en met 22 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda.

3.6 Middel 5 voert aan dat de Rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door [verzoeker] niet in de gelegenheid te stellen te reageren op haar vaststelling dat een gedeelte van de kosten van juridische bijstand betrekking heeft op het persoonlijk belang van [verzoeker]. Het middel faalt, omdat deze kosten ook al aan de orde zijn geweest in de beschikking van de Kantonrechter en het op de weg van [verzoeker] had gelegen gemotiveerd en gestaafd met bescheiden, zoals het volgens hem beschikbare bankafschrift, in hoger beroep aan te geven waarom het door de Kantonrechter vastgestelde bedrag niet juist is.

3.7 De beschikking van de Rechtbank kan niet in stand blijven wat de datum van ingang van de wettelijke rente betreft. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door, in zoverre met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank, die datum vast te stellen op 20 juli 1998.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 28 april 1999 voor zover daarin is bepaald dat [verzoeker] de wettelijke rente is verschuldigd sedert 26 mei 1994 en bepaalt dat hij deze rente is verschuldigd vanaf 20 juli 1998;

verwerpt het beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice- president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raads-heren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 23 juni 2000.