Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6256

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35232
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Nr. 35232

21 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 maart 1999 betreffende de hem voor het jaar 1995 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 46.230,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende heeft in 1993 twee overeenkomsten gesloten. Bij deze overeenkomsten heeft hij een bouwkavel ter grootte van 660 m2 gekocht en heeft hij opdracht gegeven daarop een vakantiehuis te bouwen. De hiermee gemoeide investeringen hebben inclusief omzetbelasting respectievelijk f 101.085,-- en f 109.005,-- bedragen. Het vakantiehuis is gelegen in recreatiepark A dat in totaal 220 gelijksoortige huizen telt. In de koopprijs voor de bouwkavel is een vergoeding begrepen voor de aanleg van gebouwde en ongebouwde voorzieningen in het park. De juridische eigendom van deze voorzieningen berust bij de Vereniging van Eigenaren B, waarvan de eigenaren van de vakantiehuizen, waaronder dus belanghebbende, lid zijn. Belanghebbende is terzake van de kosten van exploitatie van deze voorzieningen jaarlijks een bijdrage verschuldigd aan de vereniging van eigenaren. Belanghebbende heeft het vakantiehuis uitsluitend bestemd voor verhuur aan derden.

3.2 Het Hof heeft in cassatie onbestreden geoordeeld dat het vakantiehuis moet worden aangemerkt als een woonhuis in de zin van artikel 7, lid 1, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (hierna: UR). In cassatie herhaalt belanghebbende zijn door het Hof verworpen betoog dat hij als degene bij wie de economische eigendom van de voorzieningen berust tot afschrijving daarop gerechtigd is. ’s Hofs oordeel dat de met de exploitatie van de voorzieningen samenhangende kosten, zoals afschrijving, belanghebbende niet raken, moet aldus worden opgevat dat uit het door belanghebbende gestelde niet voortvloeit dat het risico van de waardeveranderingen en het eventueel tenietgaan van die voorzieningen (naar evenredigheid) ten volle door hem wordt gedragen, zodat hem in die zin niet de economische eigendom naar evenredigheid toekomt. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht. Het is, gelet op de stukken van het geding, ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Hiervan uitgaande heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat voor afschrijving op die voorzieningen door belanghebbende geen plaats is. Middel I en het daarop voortbouwende middel II falen derhalve.

3.3 Voor de toepassing van artikel 7, lid 1, UR dient de huurwaarde in het algemeen gesteld te worden op het totaal van de in feite in het jaar ontvangen huursommen. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel nopen tot het maken van een uitzondering op deze regel, bijvoorbeeld indien een huurprijs ontbreekt of indien het totaal van de ontvangen huursommen, over het jaar bezien, afwijkt van het bedrag aan huur dat onder normale omstandigheden in dat jaar genoten had kunnen worden. Belanghebbende heeft voor het Hof een zodanige uitzonderingssituatie gesteld, zich daarbij beroepend op de nog geringe naamsbekendheid van het park en het tempo van afbouw van het park, als gevolg waarvan de bungalows nog tamelijk veel weken leegstonden. Dergelijke omstandigheden zijn echter op zichzelf normale, immers voor alle bungalows in een zodanige situatie geldende, omstandigheden, welke niet nopen tot de conclusie dat de in dit jaar voor de onderhavige bungalow in feite ontvangen huur lager was dan de huur die dat jaar bedongen had kunnen worden. Het Hof heeft daarom, wat er zij van de gebezigde redengeving, belanghebbendes stelling terecht verworpen. Middel III faalt eveneens.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 21 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren G.J. Zuurmond, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.A. Fase, en op die datum in het openbaar uitgesproken.