Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6255

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35179
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2000-06-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 916 met annotatie van Schlimbach
BNB 2000/304
FED 2000/344
WFR 2000/998
V-N 2000/29.9

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 35179

21 juni 2000

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 januari 1999 betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.

1. Aanslag en bezwaar

Aan belanghebbende is voormelde naheffingsaanslag opgelegd.

De Inspecteur heeft met dagtekening 23 september 1994 uitspraak gedaan op het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar.

2. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. De Voorzitter van de Eerste Meervoudige Belastingkamer van het Hof heeft bij beschikking van 17 november 1994 belanghebbende wegens overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Vervolgens heeft het Hof bij uitspraak van 15 september 1995 het verzet van belanghebbende tegen deze beschikking ongegrond verklaard.

Die uitspraak van het Hof is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1996, nr. 31553, BNB 1996/412, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Hof ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft vervolgens het verzet wederom ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De uitspraak op bezwaar van de Inspecteur is gedagtekend 23 september 1994. Het beroepschrift met dagtekening 4 november 1994 en voorzien van een poststempel van 7 november 1994 is buiten de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn van zes weken ingediend.

4.2. Het Hof heeft belanghebbende er niet in geslaagd geacht met de door hem overgelegde stukken betreffende doktersbehandelingen en aanschaffingen bij apotheken in de periode vanaf 13 oktober 1994 aannemelijk te maken dat hij door ziekte niet in staat is geweest om tijdig een beroepschrift in te dienen. Het Hof heeft voorts, uitgaande van zijn vaststellingen dat belanghebbende, blijkens de bij het Hof overgelegde stukken, in de periode van september 1994 tot en met mei 1995 regelmatig in Portugal heeft verbleven en in ieder geval, blijkens zijn eigen verklaring en gelet op van hem afkomstige brieven, in september en november in Nederland is geweest, geoordeeld dat het voor de hand ligt dat een belanghebbende, die om welke reden dan ook, regelmatig in het buitenland moet vertoeven die maatregelen treft die nodig zijn om tijdig aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen, en dat ook voorzover wegens het regelmatig pendelen tussen Portugal en Nederland termijnoverschrijding heeft plaatsgevonden het risico daarvan bij belanghebbende rust.

Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als berustend op de aan het Hof voorbehouden keuze en waardering van de bewijsmiddelen, voor het overige in cassatie niet op hun juistheid worden getoetst. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden.

5. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 21 juni 2000 vastgesteld door de raadsheer F.W.G.M. Van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P.J. Van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.