Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6241

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
R99/164HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 347
NJ 2000, 490
RvdW 2000, 153
JWB 2000/101

Uitspraak

16 juni 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/164HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven,

t e g e n

DE GEMEENTE OSS,

gevestigd te Oss,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 april 1997 ter griffie van het Kantongerecht te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht vast te stellen dat verzoekster in cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - wegens ten onrechte verstrekte bijstand aan de Gemeente schuldig is een bedrag van ƒ 77.688,36, verhoogd met de eventuele kosten van invordering, en te bepalen dat het verschuldigde bedrag terstond invorderbaar is. In de loop van de procedure heeft de Gemeente haar vordering beperkt tot een bedrag van ƒ 77.102,08.

[Verzoekster] heeft het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenbeschikking van 3 februari 1998 [verzoekster] tot bewijslevering toegelaten en bij eindbeschikking van 13 januari 1999 de ingestelde vordering afgewezen.

Tegen deze eindbeschikking heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 20 juli 1999 heeft de Rechtbank de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, bepaald dat [verzoekster] aan de Gemeente dient te betalen ƒ 76.569,66, dat de kosten van tenuitvoerlegging van deze beschikking voor rekening van [verzoekster] komen, voor zover deze door haar worden veroorzaakt, en het meer of anders gevraagde afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, dan wel tot verwijzing naar het Gerechtshof aldaar.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

De Gemeente heeft in de periode van 4 mei 1987 tot en met 31 augustus 1994 bijstand (een RWW-uitkering), naar de norm van een echtpaar, verleend aan [..], de op 17 februari 1997 overleden echtgenoot van [verzoekster], verder te noemen [de overleden echtgenoot].

De Gemeente neemt het standpunt in dat die bijstand ten onrechte is verleend, en heeft zich met het hiervoor onder 1 vermelde verzoek tot de Kantonrechter gewend. In eerste aanleg baseerde de Gemeente dit verzoek op de stelling dat de bijstand was verleend op grond van door en/of namens [de overleden echtgenoot] verstrekte onjuiste en/of onvolledige inlichtingen. In de loop van de procedure in eerste aanleg heeft de Gemeente haar verzoek beperkt tot het bedrag van de bijstand genoten in de periode van 8 april 1992 tot en met 31 augustus 1994; de over de periode van 4 mei 1987 tot en met 7 april 1992 genoten bijstand is wegens verval van rechtsvordering buiten invordering gesteld.

De Kantonrechter heeft na getuigenverhoor de onjuistheid van voormelde stelling van de Gemeente bewezen geacht en het verzoek daarom afgewezen.

In hoger beroep heeft de Gemeente bij de mondelinge behandeling van de zaak de grondslag van haar verzoek aangevuld met de stelling dat [de overleden echtgenoot] blijk heeft gegeven van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als bedoeld in art. 57, aanhef en onder c, ABW (oud). De Rechtbank heeft die stelling juist bevonden, de beschikking van de Kantonrechter vernietigd en bepaald dat [verzoekster] een bedrag van ƒ 76.569,66 dient te betalen. Hiertegen richt zich het middel.

3.2 Middel I strekt ten betoge dat het besluit van burgemeester en wethouders dat aan de terugvordering ten grondslag lag, uitsluitend gebaseerd was op schending door [de overleden echtgenoot] van diens inlichtingenplicht, en dat voor de aanvulling van de grondslag van de vordering in hoger beroep, zoals door de Rechtbank aanvaard, een daartoe strekkend besluit van burgemeester en wethouders ontbrak, zodat de Gemeente in haar vordering niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

Het middel faalt. Het te dezen nog toepasselijke art. 61 ABW (oud) bepaalt slechts dat besluiten "terzake van verhaal in rechte door de gemeente worden genomen door burgemeester en wethouders". Anders dan het middel klaarblijkelijk veronderstelt, ligt in die bepaling niet de eis besloten dat het besluit, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de gemeente, de gronden van de terugvordering dient te vermelden.

3.3 Middel II is gericht tegen hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de aanwending van de door [de overleden echtgenoot] uit de verkoop van drie stamrechtovereenkomsten behaalde winst van circa ƒ 140.000,--.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank geen acht had mogen slaan op onderzoeksgegevens die dateren van vóór de periode waartoe de terugvordering is beperkt, en wel omdat de Kantonrechter in zijn tussenbeschikking van 3 februari 1998 had overwogen dat naar zijn oordeel alle onderzoeksgegevens over de buiten invordering gestelde periode "niet meer relevant zijn" voor het feitenonderzoek naar de nog in het geding zijnde periode. De klacht berust op de stelling dat het door de Gemeente ingestelde appel niet was gericht tegen die tussenbeschikking en dat de Rechtbank daarom aan voormeld oordeel van de Kantonrechter gebonden was. Die stelling is onjuist, reeds omdat - ook al vermeldde het beroepschrift op de eerste pagina dat het zich richtte tegen de beschikking van 13 januari 1999 en aan het slot dat het vernietiging van die beschikking vroeg - blijkens de met zoveel woorden tegen voormeld oordeel gerichte derde grief van de Gemeente het hoger beroep mede was gericht tegen de tussenbeschikking van de Kantonrechter. De klacht is derhalve tevergeefs voorgedragen.

Voorts klaagt het middel dat de overweging van de Rechtbank dat [de overleden echtgenoot] gedurende de periode waartoe de terugvordering is beperkt, de "investering" van het tot zijn beschikking gekomen bedrag in de stamrechtovereenkomst met [verzoekster] Beleggingsmaatschappij B.V. i.o. heeft "gehandhaafd", onbegrijpelijk is, nu (a) van dit handhaven op geen enkele wijze blijkt, en (b) art. 6 van deze overeenkomst bepaalt dat het recht op de periodieke uitkeringen niet kan worden beleend, verpand, vervreemd of afgekocht, zodat sprake is van een "noodgedwongen" handhaven van die investering.

De klacht faalt. Het weergegeven - feitelijke - oordeel van de Rechtbank is niet onbegrijpelijk. Kennelijk heeft de Rechtbank voorts bij haar oordeel dat [de overleden echtgenoot], terwijl hij bijstand ontving, blijk heeft gegeven van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, zoals bedoeld in art. 57, aanhef en onder c, ABW (oud), mede in aanmerking genomen dat [de overleden echtgenoot] heeft ingestemd met de opneming van art. 6 in de stamrechtovereenkomst en dat die omstandigheid ertoe leidt dat [de overleden echtgenoot] en zijn rechtverkrijgenden zich tegenover de Gemeente niet erop kunnen beroepen dat die bepaling meebrengt dat sprake is van een "noodgedwongen" handhaven van de investering. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

3.4 Middel III komt op tegen de overweging van de Rechtbank dat aan haar oordeel dat de gemaakte kosten van bijstand geheel kunnen worden teruggevorderd van [verzoekster], niet (voldoende) afdoet dat "de uitkering, voorzover aan [de overleden echtgenoot] verstrekt aan hem was verknocht en dat [verzoekster] zich niet heeft bemoeid met de gang van zaken".

Voor zover het de periode van 1 augustus 1992 tot en met 31 augustus 1994 betreft, brengt het in art. 59a ABW (oud) bepaalde - naar welke bepaling de Rechtbank ook heeft verwezen - mee dat het oordeel van de Rechtbank juist is. Daaraan kunnen de door het middel gereleveerde omstandigheden niet afdoen.

Ten aanzien van de periode van 8 april 1992 tot en met 31 juli 1992, waarin een bepaling als art. 59a nog niet in de ABW was opgenomen, heeft de Rechtbank met haar eerstvermelde oordeel evenwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu in art. 58 ABW (oud) onder de betrokkene zelf niet mede diens echtgenote kan worden begrepen, ook al is de bijstand mede aan haar ten goede gekomen (HR 22 november 1991, nr. 7968, NJ 1992, 135). In zoverre treft het middel doel.

3.5 De gedeeltelijke gegrondbevinding van middel III brengt mee dat de beschikking van de Rechtbank niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 1999;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar die Rechtbank;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekster] begroot op ƒ 4.890,-- in totaal, waarvan ƒ 4.685,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 205,-- te voldoen aan [verzoekster].

Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.