Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6237

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/310HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 354
NJ 2001, 559
RvdW 2000, 157
Ondernemingsrecht 2001, 41
JWB 2000/100

Uitspraak

16 juni 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/310HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

L.E. BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Rijnsburg,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. drs. K.M. van Holten,

t e g e n

[de echtgenote],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E.N. Muller.

1. Het geding in feitelijke instanties

[Werknemer], wonende te [woonplaats], in eerste aanleg als eisende partij gewijzigd in thans eiseres tot cassatie - verder te noemen: L.E. Beheer - heeft bij exploit van 18 januari 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: [de echtgenote] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat de tussen L.E. Beheer en [de echtgenoot] d.d. 3 mei 1991 gesloten overeenkomst, strekkende tot overdracht door [de echtgenoot] aan L.E. Beheer van 18 aandelen in [A] B.V. voor een koopprijs ad ƒ 230.000,-- wegens wanprestatie van [de echtgenoot] gedeeltelijk ontbonden zal zijn, met veroordeling van [de echtgenote] tot (terug)betaling aan L.E. Beheer van een bedrag van ƒ 42.452,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;

2. voor recht te verklaren dat de tussen L.E. Beheer en [de echtgenoot] d.d. 3 mei 1991 gesloten overeenkomst, strekkende tot overdracht door [de echtgenoot] aan L.E. Beheer van 18 aandelen in [A] B.V. voor een koopprijs ad ƒ 230.000,-- wegens dwaling vernietigd zal zijn met ontzegging van de werking van die vernietiging en met veroordeling van [de echtgenote] tot betaling aan L.E. Beheer van een bedrag van ƒ 42.452,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de dagvaarding.

[De echtgenote] heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 12 februari 1997 een comparitie van partijen gelast.

Tegen dit tussenvonnis heeft [de echtgenote] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 30 juni 1998 heeft het Hof het bestreden tussenvonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de vordering van L.E. Beheer afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft L.E. Beheer beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[De echtgenote] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [De echtgenote] is gehuwd geweest met [de echtgenoot], die op 27 september 1992 is overleden. Zij is zijn enig erfgename.

(ii) [De echtgenoot] was directeur/grootaandeelhouder van [A] B.V., opgericht in 1982. [A] B.V. heeft 35 aandelen geplaatst van elk nominaal ƒ 1.000,--. [De echtgenoot] hield daarvan 34 aandelen en [de echtgenote] één.

(iii) In 1982 heeft [de echtgenoot] voor zich en voor [de echtgenote] een lijfrente/stamrechtovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat [A] B.V. een ingebracht bedrag van ƒ 123.463,-- vanaf 1 januari 1982 jaarlijks zal verhogen met 9% rente, op basis van samengestelde rente. Na 1 januari 1989 is door [A] B.V. geen rente meer bijgeschreven.

(iv) In oktober 1985 heeft [werknemer] 16 aandelen van [de echtgenoot] en één aandeel van [de echtgenote] gekocht en verkregen tegen een koopsom van ƒ 45.000,--. Per 1 oktober 1985 is [werknemer] mededirecteur van [A] B.V. geworden.

(v) Bij overeenkomst van 3 mei 1991 heeft L.E. Beheer van [de echtgenoot] de resterende 18 aandelen gekocht en verkregen tegen een koopsom van ƒ 230.000,--. Per diezelfde datum heeft [werknemer] zijn aandelen overgedragen aan L.E. Beheer. De naam van [A] B.V. is gewijzigd in L.E. Bloemenexport B.V. (hierna: Bloemenexport).

(vi) Na het overlijden van [de echtgenoot] is door Bloemenexport een bedrag van ƒ 225.691,-- gestort in Stamrecht B.V. waarin voormeld stamrecht was ondergebracht.

(vii) Bij vonnis van 5 oktober 1994 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage op vordering van [de echtgenote] beslist dat door Bloemenexport een bedrag van ƒ 42.452,-- moet worden voldaan ter zake van niet betaalde rente over de periode van 1 januari 1989 tot 27 december 1990. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld.

3.2 Voorzover in cassatie nog van belang heeft L.E. Beheer in dit geding tegen [de echtgenote], als erfgename van [de echtgenoot], gevorderd dat de op 3 mei 1991 gesloten overeenkomst wegens dwaling wordt vernietigd, zulks met gedeeltelijke ontzegging van de werking aan die vernietiging en met veroordeling van [de echtgenote] tot betaling van ƒ 42.452,--. De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis geoordeeld dat dit beroep op dwaling slaagt op de grond dat [de echtgenoot] aan L.E. Beheer bij het aangaan van de overeenkomst had moeten meedelen dat de stamrechtovereenkomst ook rechten aan zijn echtgenote toekende. In hoger beroep heeft het Hof dat vonnis vernietigd en de vordering van L.E. Beheer afgewezen. Daartoe heeft het Hof overwogen (rov. 3) dat, nu L.E. Beheer "wist dat [de echtgenoot] een stamrechtovereenkomst had", het op haar weg had gelegen in-zage te verlangen in de van die overeenkomst opgemaakte akte dan wel bij [de echtgenoot] te informeren of bij die overeenkomst mede ten behoeve van zijn echtgenote aanspraken waren toegekend. [De echtgenoot] zou volgens het Hof slechts dan gehouden zijn geweest L.E. Beheer dienaangaande te informeren indien L.E. Beheer van het bestaan van de stamrechtovereenkomst onkundig zou zijn geweest, doch nu L.E. Beheer daarmee bekend was rustte op [de echtgenoot] niet de plicht L.E. Beheer te informeren omtrent de inhoud daarvan doch lag het op de weg van L.E. Beheer zelf daarnaar te vragen en zo nodig een eigen onderzoek in te stellen. Tegen dit oordeel keert zich het middel.

3.3 Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat slechts een inleiding - klaagt dat het Hof heeft blijkgegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen aandacht te besteden aan de stellingen van L.E. Beheer

(a) dat [A] B.V. ingevolge een tussen [de echtgenoot] en L.E. Beheer (althans haar directeur en enig aandeelhouder [werknemer]) in 1988 gemaakte afspraak definitief bevrijd was van de (uit de stamrechtovereenkomst voortvloeiende) verplichting tot vergoeding van rente vanaf 1 januari 1989;

(b) dat [de echtgenoot] heeft meegedeeld dat met ingang van 1 januari 1989 geen rente meer behoefde te worden bijgeschreven op het bedrag van de inbreng van de lijfrente/stamrechtovereenkomst;

(c) althans dat [de echtgenoot] jegens [werknemer] stellig de indruk heeft gewekt dat deze met de betaling van ƒ 230.000,-- voor de resterende aandelen en de verplichtingen die waren opgetekend in de jaarcijfers over 1990, "overal van af was".

Het onderdeel is terecht voorgesteld. Het Hof heeft miskend dat de voormelde stellingen van L.E. Beheer dienden ter ondersteuning van de (aangevulde) grondslag van haar vordering dat zij op de door [de echtgenoot] gedane mededelingen mocht afgaan. Deze stellingen zijn immers van belang bij de beantwoording van de vraag of het mede op art. 6:228 lid 1, onder a, BW gebaseerde beroep op dwaling kon slagen. Het Hof had die stellingen daarom niet onbesproken mogen laten. Daarbij verdient aantekening dat de stellingen van L.E. Beheer impliceren dat zij de overeenkomst mede heeft gesloten onder invloed van een door [de echtgenoot] gewekte onjuiste voorstelling van zaken, zodat het feit dat de door [de echtgenoot] verstrekte inlichtingen in een eerder stadium dan bij het aangaan van de overeenkomst aan haar zouden zijn verstrekt, niet aan haar beroep op dwaling in de weg behoeft te staan.

3.4 Bij de beoordeling van de onderdelen 3 tot en met 5 van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer een partij voor de totstandkoming van een overeenkomst aan de wederpartij bepaalde inlichtingen had behoren te geven om te voorkomen dat de wederpartij zich omtrent de betreffende punten een onjuiste voorstelling zou maken, zal in het algemeen de goede trouw zich ertegen verzetten dat de eerstgenoemde partij ter afwering van een beroep op dwaling aanvoert dat de wederpartij het ontstaan van dwaling aan zichzelf heeft te wijten. In die regel ligt besloten dat het enkele feit dat een partij haar onderzoeksplicht naar bepaalde relevante gegevens verzaakt, niet uitsluit dat de andere partij terzake van diezelfde gegevens een mededelingsplicht heeft (HR 10 april 1998, nr. 8957, NJ 1998, 666).

De onderdelen die met juistheid het vorenoverwogene tot uitgangspunt nemen, klagen dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom op [de echtgenoot] niet een mededelingsplicht rustte. De klacht treft doel. Het Hof heeft immers in de eerste plaats niet aangegeven van welke in het verkeer geldende opvattingen het bij zijn oordeel is uitgegaan. Het Hof heeft voorts niet doen blijken dat het heeft gelet op de bijzonderheden van dit geval. Met name blijkt niet dat het Hof aandacht heeft besteed aan de stelling van L.E. Beheer dat zij in de gegeven omstandigheden - [de echtgenoot] en [werknemer] kenden elkaar al jaren, werkten nauw samen en vertrouwden elkaar blindelings - geen aanleiding had nader onderzoek te doen naar of vragen te stellen over de inhoud van de stamrechtovereenkomst.

Voor het overige behoeven deze onderdelen geen bespreking, nu na verwijzing grief III van [de echtgenote], die bestrijdt dat L.E. Beheer heeft gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst van 3 mei 1991, opnieuw zal moeten worden beoordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 30 juni 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [de echtgenote] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van L.E. Beheer begroot op ƒ 699,85 aan verschotten en op ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.