Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6235

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/333HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 285, geldigheid: 2000-06-16
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 415, geldigheid: 2000-06-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 355
NJ 2000, 516
RvdW 2000, 158
JWB 2000/99

Uitspraak

16 juni 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/333HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] B.V.,

gevestigd te Urk,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

en

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot tussenkomst,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 26 september 1995 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Zwolle en gevorderd [verweerder] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 726.168,19, te vermeerderen met de overeengekomen rente ad 8% op jaarbasis over ƒ 707.008,19 vanaf de datum van de dagvaarding, en tot veroordeling van [verweerder] in de kosten van de te zijnen laste gelegde conservatoire beslagen, kosten rechtens.

[Verweerder] heeft primair een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen en bij afwijzing van de exceptie van onbevoegdheid gevorderd dat [verweerder] Zwarte Water Participaties B.V., gevestigd te Urk, in vrijwaring zal mogen oproepen. Subsidiair heeft [verweerder] in de hoofdzaak de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 28 februari 1996 in het bevoegdheidsincident zich bevoegd verklaard van het geschil kennis te nemen, in het vrijwaringsincident de vordering tot oproeping in vrijwaring toegewezen, en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

Bij conclusie van repliek heeft [eiseres] de grondslag van haar vordering vermeerderd. [Verweerder] heeft zich tegen deze vermeerdering van eis verzet.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 5 februari 1997 in de hoofdzaak [verweerder] tot bewijslevering toegelaten.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. [Eiseres] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 7 juli 1998 heeft het Hof in het principaal en in het incidenteel appèl het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[A] en [B] hebben bij incidentele conclusie gevorderd in het aanhangige geding te worden toegelaten als tussenkomende partij.

[Verweerder] heeft in het incident tot tussenkomst geconcludeerd tot referte en in de hoofdzaak tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt in het incident tot niet-ontvankelijkverklaring en in de hoofdzaak tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de incidentele vordering tot tussenkomst

In een cassatieprocedure is geen plaats voor een incidentele vordering tot tussenkomst. [A] en [B] moeten derhalve in hun incidentele vordering tot tussenkomst niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoor-ding van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [A] en [B] niet-ontvan-kelijk in hun incidente-le vordering;

verwerpt het beroep;

veroordeelt [A] en [B] in de kosten van het incident tot tussenkomst, tot op deze uit-spraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 150,-- aan verschotten en ƒ 1.000,-- voor salaris;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 16 juni 2000.