Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6207

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35414
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968, geldigheid: 2000-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 893 met annotatie van van Kesteren
BNB 2001/355
WFR 2000/961, 1
V-N 2000/33.26

Uitspraak

Nr. 35414

14 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juni 1999 betreffende na te melden aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak januari 1998 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 16,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep gegrond heeft verklaard en de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag heeft vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteert een complex bos en park, waarop drie midgetgolfbanen zijn aangelegd, welke niet zijn goedgekeurd voor het spelen van wedstrijden. Het complex is voorts voorzien van enkele kunstvoorwerpen, een zogenoemde Japanse hoek, een miniatuur van kasteel A, waterpartijen, een levensgroot damspel en mens-erger-je-nietspel en een weiland met kleinvee en gevogelte. Belanghebbende vraagt een vergoeding voor het spelen op één of meer van de golfbanen. Voor elke baan is een afzonderlijk tarief vastgesteld. De bezoekers van de baan kunnen voor, tijdens en na het spelen van golf verpozen in het park.

De Inspecteur heeft de onderwerpelijke naheffingsaanslag opgelegd, zich op het standpunt stellende dat de door belanghebbende verleende dienst niet kan worden aangemerkt als het verlenen van toegang tot attractieparken, speel- en siertuinen en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen, als bedoeld in post b.14, onderdeel g, van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende tabel I.

3.2. Het Hof heeft uit de geschiedenis van de totstandkoming van het onderhavige onderdeel van voormelde post afgeleid dat onderscheid gemaakt moet worden tussen voorzieningen waarbij de recreatieve doelstelling - vermaak en dagrecreatie - voorop staat en voorzieningen waarbij dat niet het geval is, zoals op het gebied van de sport bijvoorbeeld fitness-centra (Kamerstukken II 1997/98, 25 688, Memorie van Toelichting, blz. 26).

Het Hof heeft voorts, gelet op de hiervóór in 3.1 weergegeven feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, en de wijze waarop belanghebbende in folders haar bedrijf presenteert, aannemelijk geacht dat bezoekers van het complex uitsluitend betalen voor het spelen van het golfspel en daartoe ook het complex zullen bezoeken. Dit staat naar ‘s Hof oordeel op zichzelf niet in de weg aan de toepassing van het onderhavige onderdeel van de post. Op grond van evenbedoelde feiten en omstandigheden heeft het Hof aannemelijk geacht dat met betrekking tot de door belanghebbende verrichte dienst de aspecten van vermaak en dagrecreatie voorop staan en dat het vermaak en de recreatieve activiteiten bestaan uit het met anderen spelen van een spel in een fraai aangelegde en van nog enkele andere attracties voorziene omgeving.

3.3. Het middel betoogt dat genoemde tabelpost geen toepassing kan vinden, omdat in het onderhavige geval geen sprake is van ‘verlenen van toegang tot’ maar van ‘gelegenheid geven tot het spelen van midgetgolf’ dan wel ‘recht geven op het gebruik van midgetgolfbanen’, in welke gevallen niet het recreatieve element, maar het sportieve element voorop staat.

Het middel kan niet tot cassatie leiden, aangezien ‘s Hofs oordeel niet blijk geeft van een onjuiste opvatting van de tabelpost en als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Gelet op de feiten en omstandigheden die het karakter van de onderhavige voorziening bepalen, behoefde het Hof niet te onderzoeken of midgetgolf naar zijn aard is aan te merken als een sport.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.420,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is op 14 juni 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren A.E. de Moor, F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--.