Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6201

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2000
Datum publicatie
14-08-2001
Zaaknummer
34618
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6201
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 20, geldigheid: 2000-06-14
Wet op belastingen van rechtsverkeer 24, geldigheid: 2000-06-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 1057 met annotatie van Van Hassel
PW 2000, 21218
BNB 2000/268
WFR 2000/958, 2
V-N 2001/11.23

Uitspraak

Nr. 34618

14 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 juli 1998 betreffende na te melden aan de naamloze vennootschap NV X, statutair gevestigd te Z, opgelegde aanslag tot naheffing van assurantiebelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak januari 1996 een naheffingsaanslag in de assurantiebelasting opgelegd tot een bedrag van f 43.901,--, zonder verhoging. Deze aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur en de aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Wattel heeft op 26 oktober 1999 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en verwijzing van het geding.

Belanghebbende heeft op 5 november 1999 schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. De Stichting A geeft waarborgcertificaten uit aan kopers van (nieuwbouw-)woningen. De betrokken woning en de aannemer dienen daartoe in een register van A te zijn ingeschreven. Volgens het certificaat is dan de Garantie- en waarborgregeling van A van toepassing, die inhoudt dat A een schadevergoeding betaalt aan de koper indien de aannemer niet aan bepaalde verplichtingen voldoet. De Stichting B draagt zorg voor (een deel van) de werkzaamheden, waaronder nakoming van de - ook financiële - verplichtingen, van A. De bij B ingeschreven/aangesloten aannemers voldoen aan B in verband met de afgifte van de certificaten een bepaald bedrag, aangeduid als provisie. B heeft met belanghebbende een overeenkomst gesloten waarin is bepaald dat belanghebbende borg staat voor de nakoming van de verplichtingen uit de garantieregeling tot een gelimiteerd bedrag per jaar. Belanghebbende ontvangt daartegenover een percentage van de koopsom van de gegarandeerde woning en krijgt de aan B toekomende regresrechten op de bij haar aangesloten deelnemers.

3.2 Voor het Hof was in geschil of van belanghebbende terecht assurantiebelasting is geheven. Het Hof heeft ge-oordeeld - voor zover hier van belang - dat er sprake was van een herverzekering, welke van assurantiebelasting is vrijgesteld.

3.3. In cassatie is de vraag aan de orde of sprake is van herverzekeren. Op grond van de in zijn uitspraak vastgestelde feiten heeft het Hof geoordeeld (1) dat (telkens) tussen A en de koper van de woning een verzekeringsovereenkomst in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Koophandel tot stand komt en (2) dat B - als uitvoeringsorganisatie van A - verzekeraar is bij die overeenkomst en haar daaruit voortvloeiende risico in de hoedanigheid van verzekeringnemer aan belanghebbende in de hoedanigheid van verzekeraar heeft overgedragen. Daaraan heeft de Hof de gevolgtrekking verbonden dat de overeenkomst tussen B en belanghebbende het karakter heeft van een overeenkomst van schadeverzekering, zodat sprake is van herverzekering.

3.4. Het Hof heeft voor zijn hierboven onder (1) weergegeven oordeel onder meer redengevend geoordeeld dat de door de aannemer betaalde provisie de “kennelijk namens of in opdracht van de koper” voldane verzekeringspremie vormt. De juistheid van laatstvermeld oordeel volgt echter niet uit de door het Hof vastgestelde feiten, en evenmin uit de stukken van het geding, en strookt niet met de in de Conclusie van de Advocaat-Generaal, onder 4.4, slot, geciteerde bepaling uit de Garantie- en Waarborgregeling voor eengezinshuizen E. 1992 (hierna: GW-regeling). Zonder nadere redengeving, welke evenwel ontbreekt, is het hierboven onder (1) weergegeven oordeel dan ook onvoldoende met redenen omkleed.

3.5. Voorts geeft ’s Hofs rechtsoverweging 5.2, in het licht van hetgeen het heeft vastgesteld in zijn overwegingen 2.1 - 2.7, onvoldoende inzicht in de gedachtegang die het heeft geleid tot zijn oordeel dat de overeenkomst tussen de aannemer en B alle kenmerken heeft van een verzekeringsovereenkomst. De door het Hof vastgestelde feiten en de tekst van de GW-regeling doen veeleer aannemelijk zijn dat de bedoelde overeenkomst moet worden aangemerkt niet als een - zelfstandige - verzekeringsovereenkomst, maar als een - van de overeenkomst tussen de betrokken aannemer en de koper/aanbesteder afhankelijke - borgtocht, waaraan de koper rechten kan ontlenen die zijn te beschouwen als nevenrechten bij zijn rechten jegens de aannemer.

3.6. Blijkens hetgeen hiervoor is overwogen, is het middel gegrond. Het behoeft voor het overige geen behandeling meer. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing inzake het griffierecht,

- verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is op 14 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier P.E. Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.