Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6162

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/151HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 325
NJ 2000, 457
RvdW 2000, 145
JWB 2000/88

Uitspraak

9 juni 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/151HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J.H.F. Schultz van Haegen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 26 februari 1996 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de Rechtbank te Utrecht en verzocht de door hem verschuldigde onderhoudsbijdrage ten behoeve van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - met ingang van 1 maart 1998 te wijzigen in het bedrag van ƒ 1.477,85 per maand, althans deze bijdrage met ingang van zodanige datum tot een zodanig bedrag te verminderen als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en primair verzocht dat de Rechtbank zich onbevoegd zal verklaren tot kennisneming van het verzoek van de man, subsidiair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, en meer subsidiair het verzoek af te wijzen.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 29 juli 1998 de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft hij verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en de alimentatie-uitkering op nihil te stellen, althans vast te stellen op ƒ 1.442,-- per maand, althans een zodanige beschikking te geven als het Hof juist zal achten.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en eveneens hoger beroep tegen voormelde beschikking van de Rechtbank ingesteld. Primair heeft zij verzocht de beschikking waarvan beroep te vernietigen en de Rechtbank alsnog onbevoegd te verklaren tot kennisneming van het door de man ingediende inleidende verzoekschrift. Subsidiair heeft zij verzocht de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en meer subsidiair het verzoek van de man af te wijzen.

Bij beschikking van 24 juni 1999 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 1998 op nihil bepaald, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 1 maart 1998 tot de datum van deze beschikking meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot de datum van de beschikking wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald, en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 23 oktober 1970 met elkaar gehuwd.

(ii) Bij beschikking van 24 april 1996 is tussen partijen echtscheiding uitgesproken; de beschikking is op 24 mei 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Partijen hebben op 21 februari 1996 een echtscheidingsconvenant gesloten waarin - voor zover in cassatie van belang - is bepaald:

"2. Alimentatie vrouw

2.1 De man betaalt voor de vrouw een bedrag van fl. 2.750,-- p.m. aan alimentatie indien de man zijn werkzaamheden in Nederland uitoefent en daarbij minimaal zijn huidige salaris behoudt en (…).

2.2 Deze alimentatie zal betaald worden tot 01-09-2002.

2.3 Als de vrouw inkomen uit arbeid verwerft dan zal 50% van haar bruto inkomen in mindering worden gebracht op het bedrag vermeld in 2.1.

Als de vrouw hertrouwt of samenwoont als ware zij gehuwd, dan zal dit geen invloed hebben op de alimentatie.

(…)

4.3 Indien partijen over de inhoud van dit convenant of anderszins over de gevolgen van de echtscheiding een verschil van mening hebben dat zij niet onderling kunnen regelen, dan verbinden zij zich om te trachten met mevrouw Slob of een andere bemiddelaar de noodzakelijke overeenstemming te bereiken, alvorens zich tot de rechter te wenden."

(iv) De man woonde ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant samen met zijn nieuwe partner; de vrouw woonde op genoemd tijdstip samen met haar huidige partner. In september 1996 is de vrouw met haar huidige partner in het huwelijk getreden.

3.2 De man heeft bij inleidend verzoekschrift verzocht de alimentatie te wijzigen zoals hiervoor onder 1 is vermeld, omdat zijn nieuwe partner geen eigen inkomsten (meer) heeft zodat zijn draagkracht is afgenomen, en omdat het huwelijk van de vrouw haar behoefte aanzienlijk heeft verminderd, hetgeen een wijziging van omstandigheden oplevert die vermindering van de alimentatie rechtvaardigt. De Rechtbank heeft de man in zijn verzoek niet- ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft de man tevens aangevoerd dat, indien hij ten tijde van de ondertekening van het convenant bekend zou zijn geweest met het samenwonen van de vrouw, overeenstemming over de bepaling in het convenant dat hertrouwen of samenwonen geen invloed zou hebben op de alimentatie, zou zijn uitgebleven en dat de huidige situatie dermate belastend voor hem is dat in redelijkheid van hem geen alimentatiebetaling kan worden gevergd, in ieder geval niet het alimentatiebedrag dat de Rechtbank had opgelegd.

Het Hof heeft, ervan uitgaande dat door de man is aangevoerd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW - voorzover in cassatie van belang - overwogen:

"3.2 (…)

Met betrekking tot de eerste wijzigingsgrond heeft de vrouw aangevoerd dat de nieuwe partner van de man reeds ten tijde van het totstandkomen van het convenant ten laste van zijn draagkracht kwam.

De man heeft dit gemotiveerd weersproken en heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het ondertekenen van het convenant zijn nieuwe partner een inkomen genoot van gemiddeld f 2.200,-- netto per maand en in haar eigen levensonderhoud kon voorzien en dat zij (…) met ingang van 1 november 1997 haar werkzaamheden als pedicure heeft moeten staken en sindsdien volledig ten laste van de man is gekomen.

De tweede door de man aangevoerde wijzigingsgrond, namelijk dat hij niet wist dat de vrouw reeds samenwoonde met haar huidige echtgenoot ten tijde van het ondertekenen van het echtscheidingsconvenant, is door de vrouw onvoldoende weersproken.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat in het licht van alle omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet van de man mag worden verwacht. (…) Daarbij overweegt het Hof voorts dat, nu vast is komen te staan dat de vrouw ten tijde van het sluiten van het convenant reeds samenwoonde met haar huidige echtgenoot, terwijl uit hetgeen de man heeft aangevoerd en uit de brief van mr. Slob - Schuit van 27 augustus 1997 is gebleken, namelijk dat ten tijde van het totstandkomen van het convenant de vrouw uitdrukkelijk had toegezegd nooit meer te gaan samenwonen, de vrouw zich redelijkerwijs onder deze omstandigheden niet meer op de bepaling uit het convenant zoals weergegeven onder paragraaf 2.3 van de overeenkomst, kan beroepen.

3.3 Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen is een door de man met ingang van 1 maart 1998 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van nihil in overeenstemming met de wettelijke maatstaven."

3.3 Onderdeel a van middel 1 betoogt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het standpunt van de man, dat de omstandigheid dat hij bij het sluiten van de overeenkomst ervan is uitgegaan dat de vrouw niet samenwoonde, althans dat hij van het samenwonen niet op de hoogte was, een wijzigingsgrond in de zin van art. 1:401 lid 1 BW oplevert.

Het onderdeel is terecht voorgesteld. Het Hof heeft onvoldoende weersproken geacht dat de man pas na het tijdstip van ondertekening van het convenant ervan op de hoogte is gekomen dat de vrouw reeds op dat tijdstip met haar huidige echtgenoot samenwoonde, en heeft zulks als een wijziging van omstandigheden als bedoeld in art. 1:401 lid 1 BW beschouwd. Aldus heeft het Hof miskend dat wanneer een partij bij een overeenkomst betreffende levensonderhoud na het sluiten daarvan te weten komt dat de feitelijke omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst anders waren dan hij of zij toen aannam, het verkrijgen van deze wetenschap niet kan worden aangemerkt als een wijziging van omstandigheden in de zin van genoemde bepaling.

Hieruit volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 juni 1999;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 juni 2000.