Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6159

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
C98/357HR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 335
NJ 2000, 460
RvdW 2000, 150
JWB 2000/85

Uitspraak

9 juni 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/357HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.V. Kist.

1.Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 20 april 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van ƒ 78.736,48, [ƒ 2.400,-- en ƒ 4.194,75,] vermeerderd met kosten en rente. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] zijn eis vermeerderd in die zin dat hij subsidiair toewijzing van de wettelijke rente met ingang van een zo vroeg mogelijk tijdstip vordert.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 29 maart 1996 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 28 juli 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem.

3.Beoordeling van het middel

3.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [Eiser] heeft in de periode van 1 februari 1986 tot 1 oktober 1987 en in de periode van 11 november 1987 tot 15 maart 1989 een RWW-uitkering genoten van de gemeente Heeswijk-Dinther. (ii) Bij beschikking van 18 april 1989 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeswijk-Dinther beslo-ten 1) de uitkering met ingang van 15 maart 1989 in te trekken, 2) [eiser] per 15 maart 1989 en in beide genoem-de uitkeringsperiodes niet aan te merken als werk-loos werknemer in de zin van art. 1 Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, en 3) de in die periodes ten onrech-te verstrekte uitkeringen tot een bedrag van ƒ 78.736,48 terug te vorderen en op [eiser] te verhalen. (iii) [Eiser] heeft tegen deze beschikking bij brief van 26 april 1989 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door [verweerder], optredend als advocaat van [eiser], toegelicht. (iv) Bij beschikking van 20 juni 1989 heeft het college van burgemeester en wethouders [eiser] deels niet-ontvanke-lijk verklaard in zijn bezwaar, en dat bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

(v)Het door [verweerder] als gemachtigde van [eiser] tegen deze beschikking ingestelde beroep is door Gedeputeer-de Staten van Noord-Brabant op 7 mei 1990 onge-grond verklaard.

(vi) Tegen deze beslissing heeft [verweerder] namens [eiser] beroep ingesteld bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State.

(vii) Op 17 september 1990 heeft de voorzitter van die Afdeling [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn bero-ep omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. (viii)Het griffierecht moest vóór 7 augustus 1990 door de Raad van State zijn ontvangen. [Verweerder] heeft het voor de betaling van het griffierecht bestemde bedrag van ƒ 150,-- op 1 augustus 1990 van [eiser] ontvangen. Op diezelfde dag heeft [verweerder] zijn bank door middel van “een gewone overboekingsopdracht” opgedragen ƒ 150,-- over te boeken naar de Raad van State. Dit bedrag is op 2 augustus 1990 van zijn bankrekening afgeschreven. (ix) Intussen had de gemeente bij de kantonrechter te 's-Hertogenbosch een procedure aangespannen tot verhaal van het onder (ii) genoemde bedrag. Bij beschikking van 10 november 1990 heeft de kantonrechter vastgesteld dat [eiser] met ingang van 1 december 1990 maandelijks een bedrag van ƒ 102,-- aan de gemeente diende te voldoen totdat het bedrag van ƒ 78.736,48 zou zijn voldaan. Deze beschikking is in hoger beroep bekrachtigd.

3.2[Eiser] heeft [verweerder] gedagvaard voor de Rechtbank en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van een be-drag van ƒ 78.736,48 in hoofdsom. Aan deze vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat het griffierecht door een beroepsfout van [verweerder] niet tijdig is betaald, dat [verweerder] aldus onrechtmatig jegens hem heeft gehan-deld en dat als gevolg van dit onrechtmatig handelen het beroep bij de Afdeling voor de geschillen van bestuur - hoewel dat een goede kans van slagen had - niet- ontvankelijk is verklaard, met als gevolg dat de gemeente met succes tot verhaal is kunnen overgaan. De Rechtbank heeft de vordering van [eiser] afgewezen.

In hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, kort weergegeven, het volgende overwogen. Onzorgvuldig handelen van [verweerder] jegens [eiser] zou kunnen worden aangenomen indien [verweerder] het griffierecht op een zodanig laat tijdstip zou hebben betaald dat daardoor, naar [verweerder] had moeten begrijpen, de situatie had kunnen ontstaan dat het griffie-recht te laat door de Raad van State werd ont-vangen, met als gevolg de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep (rov. 4.2.3). Gelet op de data van overma-king en afboeking en de in het betalingsverkeer in het algemeen geldende praktijk mocht [verweerder] evenwel ervan uitgaan dat het griffierecht tijdig - dat wil zeggen: uiterlijk op 6 augustus 1990 - door de Raad van State zou worden ontvangen. Met betrekking tot het beta-len van het griffierecht heeft [verweerder] derhalve jegens [eiser] niet onzorgvuldig gehandeld (rov. 4.2.5).

3.3Onderdeel 1 van het middel keert zich tegen het oor-deel van het Hof dat [verweerder] ervan mocht uitgaan dat het griffierecht tijdig door de Raad van State zou worden ontvangen, in welk oordeel besloten ligt dat [verweerder] bij het overmaken van het griffierecht heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vak-genoot te dezen te werk zou zijn gegaan. Naar het onder-deel betoogt, heeft [verweerder] door het griffierecht eerst op 1 augustus 1990 “door middel van een normale overschrijving” over te maken terwijl dit uiterlijk op 6 augustus 1990 door de Raad van State moest zijn ontvan-gen onmiskenbaar een situatie in het leven geroepen, waar-in, naar hij had moeten begrijpen, het risico van niet-ontvankelijkheid zich voordeed, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.

Het onderdeel faalt. Het Hof heeft klaarblijkelijk op grond van een door hem aangenomen algemene ervaringsregel geoordeeld dat destijds onder normale omstandigheden niet meer dan vier dagen gelegen waren tussen de dag waarop aan een bank een betalingsopdracht werd gegeven en de dag waarop het te betalen bedrag werd bijgeschreven op de rekening van degene voor wie de betaling was bestemd. Door bij zijn oordeel dat [verweerder] mocht aannemen dat het griffierecht tijdig door de Raad van State zou worden ontvangen, uit te gaan van deze ervaringsregel is het Hof niet met enige rechtsregel in strijd gekomen. Dit oordeel is van feitelijke aard en behoefde geen nadere motivering dan door het Hof is gegeven. Het is ook niet onbegrijpe-lijk.

3.4Onderdeel 2 berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan derhalve reeds wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.827,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijns-sen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, J.B. Fleers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 juni 2000.