Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6118

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-06-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 3, geldigheid: 2000-06-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000, 833 met annotatie van Nieuwenhuizen
BNB 2000/248
FED 2000/316
WFR 2000/925, 2
V-N 2000/29.27

Uitspraak

Nr. 35388

7 juni 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 april 1999 betreffende na te melden naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1991 tot en met 31 december 1993 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van f 82.740,--, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

Het Hof heeft uit de hoeveelheid werkzaamheden en de aard van die werkzaamheden, weergegeven in 2.3 van zijn uitspraak, alsmede uit de door belanghebbende ter zitting overgelegde bouwtekeningen afgeleid dat door de verrichte werkzaamheden het oorspronkelijke schoolgebouw radicaal is gewijzigd en dat het gebouw een geheel nieuwe aanwendingsmogelijkheid heeft gekregen, namelijk een appartementencomplex dat geschikt is voor bewoning. Hierin ligt besloten dat naar ’s Hofs oordeel de functie van het gebouw is gewijzigd in samenhang met een zodanige verbouwing dat de aldus tot stand gekomen zaak niet kan worden vereenzelvigd met de aanvankelijk bestaande zaak. De daaruit door het Hof getrokken conclusie dat een goed is vervaardigd in de zin van artikel 3, lid 1, onderdeel h, van de Wet op de omzetbelasting 1968 geeft, anders dan middel 1 betoogt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In zoverre faalt het middel.

Voor het overige bestrijdt het middel dat het gebouw door de verbouwing een aanwendingsmogelijkheid heeft gekregen die tevoren ontbrak. Het middel faalt ook in zoverre, aangezien ’s Hofs andersluidende oordeel van feitelijke aard is en daarom in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is, anders dan middel 2 stelt, ook niet onvoldoende gemotiveerd. Middel 2 kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 7 juni 2000 vastgesteld door de raadsheer A.E. de Moor als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.