Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA6002

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-05-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00078/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA6002
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24c, geldigheid: 2000-05-30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 339
NJ 2000, 512

Uitspraak

30 mei 2000

Strafkamer

nr. 00078/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 januari 1999 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven

beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Oostenrijk) op [geboortedatum] 1982, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 maart 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "medeplegen van: met iemand van wie hij weet dat hij in staat van lichamelijke onmacht verkeert handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderdzestig uren. Tevens heeft het Hof de verdachte veroordeeld tot het volgen van de leerprojecten zoals in het arrest omschreven en heeft het Hof hem voorts de verplichting opgelegd éénduizendvierentwintig gulden en achtenzeventig cent te betalen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door een jeugddetentie voor de duur van twintig dagen. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in voege als in het arrest vermeld.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, ad-

vocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het vierde middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof ten onrechte vervangende jeugddetentie heeft opgelegd ten aanzien van de opgelegde maatregel tot schadevergoeding.

4.2. Het Hof heeft bij de oplegging van de straf en de maatregel toepassing gegeven aan art. 77a Sr.

Het heeft aan de verdachte onder meer de maatregel tot schadevergoeding opgelegd als voorzien in art. 77h, vierde lid onder d, Sr.

Het Hof heeft op blz. 9 van het bestreden arrest verantwoording afgelegd van zijn oordeel dat de wet ten aanzien van die maatregel de mogelijkheid biedt tot het opleggen van vervangende jeugddetentie. Dat oordeel wordt in het middel bestreden.

4.3. Titel VIIIA van het eerste boek van het Wetboek van Strafrecht bevat bijzondere bepalingen voor jeugdige personen, die in de plaats treden van de in art. 77a genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafrecht.

Zo behelst art. 77l Sr bepalingen ten aanzien van vervangende jeugddetentie, die in de plaats treden van de regeling van de vervangende hechtenis in art. 24c Sr, welk artikel in art. 77a Sr van toepassing is uitgesloten.

Ingevolge art. 77h, vierde lid onder d, Sr kan ten aanzien van de in art. 77a bedoelde personen de maatregel tot schadevergoeding worden opgelegd.

Ten aanzien van de oplegging van die maatregel geldt hetgeen in art. 36f Sr is bepaald, nu dat artikel in art. 77a Sr niet van toepassing is uitgesloten.

Het zesde lid van art. 36f Sr, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit, verklaart art.

24c Sr van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

4.4. Gelet op genoemd samenstel van bepalingen brengt redelijke, aan de bedoeling van de wetgever beantwoordende uitleg van art. 36f, zesde lid (oud), Sr mee, dat in geval van oplegging van de maatregel tot schadevergoeding als bedoeld in art. 77h, vierde lid onder d, Sr niet art. 24c Sr, maar art. 77l Sr van overeenkomstige toepassing is.

Dat vindt bevestiging in de omstandigheid dat bij Wet van 28 januari 1999 (Herstel van wetstechnische gebreken en leemten in diverse wetten (...) Reparatiewet I, Stb. 1999, 30) art. 36f, zesde lid (oud), Sr in die zin is aangevuld dat daarin met zoveel woorden ook het tweede tot en met het zesde lid van art. 77l Sr van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat het in het middel aangevallen oordeel van het Hof juist is, zodat het middel faalt.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 30 mei 2000.