Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5967

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/231HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5967
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap 12, geldigheid: 2000-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 316
NJ 2000, 671
RvdW 2000, 141
JWB 2000/80

Uitspraak

26 mei 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/231HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de vennootschap naar Italiaans recht CASSINA S.p.A.,

gevestigd te Meda, Italië,

2. de vennootschap naar Belgisch recht MOBICA N.V.,

gevestigd te Oud-Bijgaarden, België,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr C.J.J.C. van Nispen,

t e g e n

1. [Verweerster] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen,

3. de vennootschap naar Belgisch recht SEDETI N.V.,

gevestigd te Overijse, België,

VERWEERSTER in cassatie

advocaat: mr R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Cassina en Mobica - hebben bij exploiten van 11 en 28 april 1995 verweersters in cassatie - verder te noemen: [verweerster] en Sedeti -, alsmede de vennootschap naar Braziliaans recht De Couro - verder te noemen: De Couro - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd Sedeti, [verweerster] en De Couro bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen om:

A. met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te (doen) houden het onrechtmatig handelen jegens Cassina en Mobica en elke inbreuk op de auteursrechten van [ontwerper] en het licentierecht van Cassina, in de Benelux, althans in Nederland, en hen in het bijzonder te verbieden meubelmodellen identiek aan of in overwegende mate gelijkend op de modellen CAB 412 en 413 te fabriceren en/of aan te bieden en/of in voorraad te houden en/of te verkopen en/of te leveren en/of ten toon te stellen, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elke keer of dag dat hiermee in strijd gehandeld wordt;

B. binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis aan de advocaat van Cassina en Mobica schriftelijk op te geven de namen en adressen van degene of degenen van wie Sedeti, [verweerster] en De Couro het inbreukmakende product hebben betrokken, zulks onder overlegging van de facturen in kopievorm en, zo deze niet de fabrikant van de inbreukmakende producten is/zijn, naam en adres van de fabrikant/fabrikanten, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 10.000,-- voor iedere keer of dag dat hiermee in strijd wordt gehandeld;

C. binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis aan voormelde advocaat een schriftelijke opgave te doen van de namen en adressen van alle afnemers van de inbreukmakende producten, alsmede een schriftelijke opgave te doen van het aantal van de door hen verkochte inbreukmakende producten onder overlegging van kopieën van de fakturen, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 10.000,-- voor iedere keer of dag dat hiermee in strijd wordt gehandeld;

D. binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis de afnemers van de geleverde inbreukmakende producten schriftelijk te verzoeken de geleverde inbreukmakende producten per omgaande aan hen te retourneren onder aanbod van het dragen van de kosten daarvan en van deze brieven per gelijke post een kopie aan voormelde advocaat te sturen en de geretourneerde producten binnen dezelfde termijn, althans na ontvangst, ter beschikking te stellen aan Cassina, zulks op straffe van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 10.000,-- voor iedere keer of dag dat hiermee in strijd wordt gehandeld;

E. binnen drie dagen na het in deze te wijzen vonnis aan voormelde advocaat een schriftelijke opgave te doen van de totale voorraad van Sedeti, [verweerster] en De Couro van het inbreukmakende product en deze voorraad binnen dezelfde termijn ter beschikking te stellen aan Cassina ter vernietiging op kosten van Sedeti, [verweerster] en De Couro op straffe van een direct opeisbare dwangsom van ƒ 10.000,-- voor iedere keer of dag dat hiermee in strijd wordt gehandeld;

F. binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis een voorschot op de materiële schadevergoeding aan Cassina en Mobica te betalen, ten bedrage van ƒ 25.000,--, althans een bedrag dat de Rechtbank redelijk acht, en een bedrag van ƒ 25.000,--, althans een bedrag dat de Rechtbank redelijk acht te betalen ten titel van immateriële schadevergoeding.

Sedeti en [verweerster] hebben de vorderingen bestreden; tegen de niet verschenen De Couro is verstek verleend.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 3 september 1996 Mobica niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en de vorderingen van Cassina afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben Cassina en Mobica hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 16 april 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis, voor zover daarin Mobica in haar vorderingen niet-ontvankelijk werd verklaard, vernietigd. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof de vorderingen van Mobica alsnog afgewezen en het tussen partijen gewezen vonnis voor het overige bekrachtigd onder aanvulling en verbetering van gronden.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Cassina en Mobica beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaardingen en het herstelexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Sedeti heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

Cassina en Mobica hebben de zaak doen toelichten door hun advocaat en door mr T. Cohen Jehoram, advocaat bij de Hoge Raad. Sedeti heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat en door mr L.M. Schreuders-Ebbekink, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander Hof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Cassina is een meubelbedrijf dat haar producten wereldwijd verkoopt. Haar collectie bestaat voor een belangrijk deel uit nieuwe ontwerpen van bekende ontwerpers, onder wie [ontwerper].

(ii) [Ontwerper] heeft in 1977 voor Cassina de stoel CAB 412 (zonder armleuning) ontworpen en in 1979 de stoel CAB 413 (met armleuning). Beide stoelmodellen bestaan uit een stalen frame met daarover een nauw aansluitende leren hoes.

(iii) Cassina heeft het wereldwijde exclusieve recht tot verkoop en productie van beide CAB-stoelen.

(iv) Op 22 maart 1978 heeft Cassina bij het Benelux-Bureau voor Tekeningen of Modellen het stoelmodel CAB 412 gedeponeerd; het model is ingeschreven onder nummer 03932-05. De inschrijving houdt, voor zover van belang, het volgende in:

"11 Chaise (cl 6-01)

12 Chaise constituée d'un chassis métallique ou similaire sans traverses horizontales revêtu entièrement d'une housse en cuir simili, ou analogue formant le siège et le dossier et/ou le revêtement du piètement, cette housse étant appliquée par ouverture ou fermeture de fermoir à glissière. (...)

14 Franco Cassina."

(v) Het stoelmodel CAB 413 is niet gedeponeerd.

(vi) Beide CAB-stoelen maken deel uit van de collectie van het Museum of Modern Art in New York.

(vii) Met betrekking tot het model CAB 412 heeft Cassina niet bij het Benelux-Bureau een verklaring afgelegd met het oog op de instandhouding van het auteursrecht, als bedoeld in art. 24, in verbinding met art. 21 lid 3, Eenvormige Beneluxwet inzake tekeningen of modellen (hierna: BTMW).

(viii)Mobica is agent van Cassina in de Benelux. Zij bemiddelt onder meer in de verkoop van de CAB-stoelen.

(ix) Sedeti is distributeur in de Benelux van de stoelmodellen Paola en Paolo. Deze stoelen bestaan eveneens uit een stalen frame bekleed met leer. Zij zijn goedkoper dan de CAB-stoelen.

(x) [Verweerster] is detailhandelaar en heeft in Nederland Paola/Paolo stoelen te koop aangeboden.

(xi) Het Landgericht te Frankfurt a.M. heeft in een procedure tussen Cassina en Ketnath Internationale Objekteinrichtungen GmbH bij vonnis van 29 april 1993 geoordeeld dat de stoelmodellen Paola BC2, Paolo BC 1/3 en Paolo BCR "unfreie Nachbildungen" zijn van de CAB-stoelen.

(xii) Bij brieven van 4 mei 1994 en 20 mei 1994 heeft Cassina aan Sedeti en [verweerster] bericht dat zij auteursrechthebbende is op het model CAB en hen gesommeerd het fabriceren, aanbieden, verkopen, leveren, tentoonstellen en/of in voorraad houden van nabootsingen van CAB-stoelen en elke andere mogelijke inbreuk op Cassina's rechten met onmiddellijke ingang te staken, en hen voorts gesommeerd een onthoudingsverklaring te tekenen.

(xiii) Sedeti heeft geen gevolg gegeven aan die sommatie. [Verweerster] heeft de vier resterende onverkochte Paola/Paolo-stoelen in afwachting van de uitkomst van het onderhavige geding in haar magazijn geplaatst.

(xiv) [Ontwerper] heeft op 10 oktober 1994 een "Power of Attorney" ten behoeve van Cassina opgemaakt, welke onder meer het volgende inhoudt:

"Herewith I declare that I am the designer of the chair and armchair which I designed for Cassina, known by Cassina under the name CAB. As owner of the copyright of these models CAB, chair and armchair, I herewith give Cassina S.p.A. power of attorney to take all (legal) measures against every infringement of the copyright on the above mentioned models and to take action against each tort towards me, as copyright owner, and/or towards Cassina, with respect to the above mentioned models, and to claim the damage suffered by me and/or by Cassina, in every country of the world in which copyright protection of the above mentioned models can be claimed."

3.2.1 Cassina en Mobica hebben de hiervoor onder 1 vermelde vordering tegen Sedeti en [verweerster] ingesteld, stellende dat deze laatsten onrechtmatig jegens hen handelen, inbreuk maken op de auteursrechten van [ontwerper] en op het licentierecht van Cassina, door het vervaardigen en verhandelen van stoelen model Paola BC2 (zonder armleuning) en Paolo BC1 en BC3 (met armleuning), welke zijn aan te merken als ongeoorloofde nabootsingen van de CAB-stoelmodellen.

De Rechtbank heeft Mobica niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij aan haar hoedanigheid van agent van Cassina niet het recht kan ontlenen om in eigen naam louter op auteursrechtinbreuk gebaseerde vorderingen in te stellen.

De vorderingen van Cassina heeft de Rechtbank afgewezen. Zij nam de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 20 oktober 1993 in de zaken C-92/92 (Phil Collins) en C-326/92 (EMI Electrola), Jur. 1993, I-5145 e.v., tot uitgangspunt en leidde daaruit af dat aan Italiaanse makers en rechtverkrijgenden van uit Italië afkomstige werken van toegepaste kunst als bedoeld in art. 10 sub 11 Auteurswet 1912, op basis van het in het EG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod in Nederland dezelfde bescherming dient te worden toegekend als aan Nederlandse onderdanen of ingezetenen.

Vervolgens heeft de Rechtbank de vraag onderzocht of Cassina niet alleen modelrechthebbende maar ook auteursrechthebbende op model CAB 412 is. Na deze vraag bevestigend te hebben beantwoord is zij tot de slotsom gekomen dat dit auteursrecht ingevolge art. 21 lid 3 BTMW door het verval van het modelrecht op 22 maart 1993 (15 jaar na het depot) is geëindigd bij gebreke van een instandhoudingsverklaring als in die bepaling bedoeld. Daartoe overwoog zij onder meer dat Cassina op basis van het Phil Collins arrest dezelfde auteursrechtelijke bescherming als Nederlandse onderdanen of ingezetenen geniet, zodat zij "in de lijn van die uitspraak (...) evenals Nederlandse auteurs in Nederland geen rechtstreeks beroep kan doen op de Berner Conventie".

Wat het model CAB 413 betreft, oordeelde de Rechtbank dat dit model een bewerking van model CAB 412 is en dus valt onder Cassina's auteursrecht op CAB 412, dat op 22 maart 1993 is vervallen.

3.2.2 In hoger beroep heeft het Hof in de eerste plaats geoordeeld (rov. 4.2) dat Cassina de op auteursrecht gebaseerde vorderingen in dit geding niet mede als vertegenwoordigster van [ontwerper] heeft ingesteld. Dit oordeel wordt bestreden door middel III.

De eerste appelgrief van Cassina en Mobica was gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van Mobica. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld (rov. 4.3) dat Mobica wel ontvankelijk is voor zover haar vorderingen mede zijn gebaseerd op onrechtmatig handelen jegens haar als agent, maar dat de Rechtbank haar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover haar vorderingen zijn gebaseerd op inbreuk op auteursrecht. Tegen laatstgenoemd oordeel richt zich middel V.

De tweede en de derde grief kwamen op tegen de oordelen van de Rechtbank dat het depot van model CAB 412 door Cassina is geschied met toestemming van de ontwerper als bedoeld in art. 22 lid 1 BTMW, en dat Cassina derhalve zowel model- als auteursrechthebbende was van de CAB 412. Het Hof heeft deze grieven verworpen (rov. 4.4.2-4.4.5). Deze beslissing wordt in cassatie niet bestreden.

De vierde grief keerde zich tegen de overweging van de Rechtbank dat Cassina geen rechtstreeks beroep kan doen op de Berner Conventie, omdat Nederlandse auteurs dat evenmin in Nederland kunnen doen. Het Hof heeft deze grief behandeld en verworpen op de gronden vermeld in rov. 4.5.2-4.5.5 van zijn arrest. Middel I bestrijdt 's Hofs rov. 4.5.2 en 4.5.3; middel II komt op tegen ’s Hofs rov. 4.5.4 en 4.5.5.

Naar aanleiding van de vijfde grief, die opkwam tegen het oordeel van de Rechtbank dat model CAB 413 een bewerking van model CAB 412 is, heeft het Hof in zijn rov. 4.6.2 onder meer geoordeeld dat de Paolo-stoel geen inbreuk maakt op het auteursrecht op model CAB 413. Tegen dit oordeel is middel IV gericht.

3.3.1 De Hoge Raad zal eerst middel II behandelen. Evenals middel I, heeft dit middel betrekking op de verhouding tussen de BTMW en de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst (Verdrag van 9 september 1886, laatstelijk herzien bij de Akte van Parijs van 24 juli 1971, Trb. 1972, 157, verder te noemen: de Conventie, of kortweg: BC).

Cassina heeft zich ten betoge dat het auteursrecht op model CAB 412 niet is vervallen, onder meer beroepen op art. 7 lid 4 van de Conventie, luidende (in vertaling):

"4. Het is aan de wetgeving van de landen van de Unie voorbehouden de duur der bescherming van de fotografische werken en werken van toegepaste kunst die als werken van kunst worden beschermd, te regelen; deze beschermingsduur mag echter niet korter zijn dan een periode van vijfentwintig jaar te rekenen van de vervaardiging van dat werk."

Het Hof heeft in zijn rov. 4.5.4 overwogen, verkort weergegeven:

- Cassina kan in Italië geen aanspraak maken op deze bescherming van de Conventie, zoals Nederlanders in Nederland evenmin op die bepaling een beroep kunnen doen;

- in Nederland geldt de regeling van art. 21 BTMW indien sprake is van een modeldepot voor een werk van toegepaste kunst, welke regeling voorrang geniet boven de algemene regeling van art. 37 Auteurswet.

In rov. 4.5.5 heeft het Hof vervolgens overwogen:

"Indien aan Cassina een rechtstreeks beroep op artikel 7 lid 4 BC zou toekomen, zou zulks betekenen dat zij ter zake van een via de bepalingen van de BTMW verkregen auteursrecht een beroep zou kunnen doen op de langere rechtsbescherming van de BC terwijl een dergelijk beroep in Nederland aan Nederlanders niet toekomt. Gezien de bedoeling van de BC die beoogt aan de onderdanen van de verdragstaten dezelfde auteursrechtelijke bescherming toe te kennen als die de onderdanen zelf kennen, alsmede gezien het non-discriminatiebeginsel in het Phil Collins arrest moet dit standpunt van Cassina worden verworpen. (...)"

3.3.2 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het Hof aldus heeft miskend dat krachtens art. 5 lid 1 BC de auteurs voor de werken waarvoor zij krachtens de Conventie zijn beschermd, in de landen van de Unie die niet het land van oorsprong van het werk zijn, niet alleen de rechten genieten welke de onderscheiden wetten aan de eigen onderdanen verlenen, maar óók "de rechten door deze Conventie in het bijzonder verleend"; tot deze laatste behoort het in art. 7 lid 4 toegekende recht op een minimum beschermingsduur van 25 jaar. Onderdeel 4 klaagt dat het Hof, door te overwegen dat de Conventie beoogt aan de onderdanen van de verdragstaten dezelfde rechtsbescherming te verlenen als die de onderdanen zelf kennen, heeft miskend dat de Conventie in art. 7 lid 4 een minimum aan bescherming garandeert.

Deze klachten zijn gegrond. Art. 2 lid 7 BC laat de lidstaten weliswaar vrij in het regelen van de bescherming van werken van toegepaste kunst, maar laat de bepalingen van art. 7 lid 4 uitdrukkelijk onverlet en beperkt in zoverre dus die vrijheid. Voor zover werken van toegepaste kunst (mede) auteursrechtelijk worden beschermd, zoals het geval is in de Auteurswet 1912 (art. 10 lid 1 sub 11), mag de beschermingsduur dan ook niet minder dan 25 jaar belopen. Het geldend maken van dit aan art. 7 lid 4 te ontlenen recht mag ook niet worden onderworpen aan het formele vereiste van het afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 21 lid 3 BTMW, aangezien art. 5 lid 2 BC bepaalt dat het genot en de uitoefening van de in art. 5 lid 1 bedoelde rechten aan geen enkele formaliteit zijn onderworpen.

3.3.3 Onderdeel 3 is gericht tegen 's Hofs overweging dat Nederlanders in Nederland geen aanspraak kunnen maken op de bescherming van de Conventie. In de gedachtengang van het Hof is die overweging een argument voor zijn opvatting dat toekenning aan Cassina van een rechtstreeks beroep op art. 7 lid 4 BC tot discriminatie van Nederlanders zou leiden en daarom onverenigbaar is met het discriminatieverbod van het EG-Verdrag (thans art. 12 EG). Met Nederlanders bedoelt het Hof hier kennelijk auteurs van werken waarvan Nederland het land van oorsprong is (zie art. 5 BC). Blijkens de schriftelijke toelichting moet de door het onderdeel opgeworpen klacht aldus worden begrepen dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het non-discriminatiebeginsel eraan in de weg staat dat Cassina zich op art. 7 lid 4 zou kunnen beroepen, terwijl auteurs van werken waarvan Nederland het land van oorsprong is, dat in Nederland niet kunnen doen.

Aldus verstaan, treft de klacht doel. Anders dan het Hof heeft aangenomen, kan uit de omstandigheid dat voor een geval als het onderhavige - het geval dat in Nederland bescherming wordt gevraagd tegen inbreuk op het auteursrecht op een werk van toegepaste kunst waarvan Italië het land van oorsprong is - wordt aanvaard dat art. 7 lid 4 BC voorgaat boven de vervalbepaling van art. 21 lid 3 BTMW, niet worden afgeleid dat in het zich hier niet voordoende geval dat Nederland het land van oorsprong van het werk is, in Nederland ten opzichte van de auteur in strijd met het discriminatieverbod van (thans) art. 12 EG zou moeten worden gehandeld.

3.3.4 Onderdeel 2 kan niet tot cassatie leiden. Het berust op een verkeerde lezing van de bestreden overweging, aangezien het Hof met "een via de bepalingen van de BTMW verkregen auteursrecht" niets anders kan hebben bedoeld dan: een verkregen auteursrecht ten aanzien waarvan art. 21 lid 1 BTMW cumulatie met een uitsluitend recht op grond van een modeldepot toestaat.

3.4 De gegrondheid van middel II brengt mee dat 's Hofs arrest niet in stand kan blijven en dat na verwijzing ervan zal moeten worden uitgegaan dat het auteursrecht op model CAB 412 niet is vervallen. Hieruit volgt dat middel I belang mist en dus onbesproken kan blijven.

3.5 Middel III kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Dit volgt, wat de vorderingen wegens inbreuk op het auteursrecht op model CAB 412 betreft, uit de omstandigheid dat het Hof - in cassatie niet bestreden - Cassina zelf als de rechthebbende op dit auteursrecht heeft aangemerkt. Wat de vorderingen wegens inbreuk op het auteursrecht op model CAB 413 betreft, zou het middel slechts belang hebben indien middel IV gegrond zou worden bevonden, hetgeen evenwel niet het geval is, zoals hierna zal blijken (zie 3.6).

3.6 Middel IV faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer onder 2.22 tot en met 2.24.

3.7 Middel V is gericht tegen 's Hofs oordeel dat aan Mobica in haar hoedanigheid van agent van Cassina geen vorderingsrecht toekomt voor zover haar vordering is gebaseerd op inbreuk op auteursrecht.

Het middel is tevergeefs voorgesteld. De Auteurswet biedt bescherming aan de rechthebbende op het auteursrecht en, in zekere mate (in art. 27a), ook aan de licentienemer. Deze bescherming omvat het recht tot het instellen van rechtsvorderingen wegens inbreuk op het auteursrecht. Mobica is niet rechthebbende op het auteursrecht en uit de stukken van het geding blijkt niet dat zij heeft gesteld licentienemer te zijn. De enkele omstandigheid dat Mobica als agent van Cassina nadeel ondervindt van inbreuken op het auteursrecht van Cassina, is niet voldoende om aan te nemen dat zij, als ware zij licentieneemster, zelfstandig een rechtsvordering wegens inbreuk op dat auteursrecht geldend zou kunnen maken.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 16 april 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt [verweerster] en Sedeti in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Cassina en Mobica begroot op ƒ 822,93 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 26 mei 2000.