Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5960

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R98/151HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5960
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 289, geldigheid: 2000-05-26
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 438, geldigheid: 2000-05-26
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 502, geldigheid: 2000-05-26
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 705, geldigheid: 2000-05-26
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 725, geldigheid: 2000-05-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2000/203 met annotatie van mr. I. Spinath
JOL 2000, 306
NJ 2001, 388
RvdW 2000, 137
JWB 2000/77

Uitspraak

26 mei 2000

Eerste Kamer

Nr. R98/151HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. de publiekrechtelijk rechtspersoon HET LAND ARUBA,

2. het publiekrechtelijk orgaan DE ONTVANGER DER BELASTINGEN,

beide gevestigd op Aruba,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder],

wonende op Aruba,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 28 oktober 1997 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - zich in kort geding gewend tot dat Gerecht en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad eisers tot cassatie - hierna gezamenlijk te noemen: de Ontvanger - te bevelen het beslag op de in het verzoekschrift omschreven onroerende goederen binnen 24 uur na het in deze te wijzen vonnis op te heffen, althans de onmiddellijke opheffing van het beslag op deze goederen te gelasten, althans enige andere voorziening te geven die de rechter in goede justitie vermeent te behoren.

De Ontvanger heeft de vordering bestreden.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij vonnis van 10 december 1997 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij vonnis van 22 september 1998 heeft het Hof in het principaal appèl het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende de Ontvanger bevolen eraan mee te werken dat het beslag op de desbetreffende goederen ter zake van vorderingen op [verkoper] wordt doorgehaald. In het incidenteel appèl heeft het Hof het beroep verworpen.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het Hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.

De zaak is voor de Ontvanger toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In dit geding kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Op 24 mei 1995 heeft [verweerder] twee onroerende zaken, gelegen te [woonplaats A] en [woonplaats B] op Aruba, van [verkoper] gekocht. De overdracht diende plaats te vinden uiterlijk op 31 december 1995.

(ii) [Verkoper], die een aanzienlijke belastingschuld had, heeft Aruba verlaten. Hij heeft [verweerder] een schriftelijke volmacht verstrekt om de overdracht te bewerkstelligen. In deze volmacht was vermeld dat [verweerder] de koopprijs had voldaan.

(iii) De Ontvanger heeft ter zake van de belastingschulden ten laste van [verkoper] op 8 maart 1996 executoriaal beslag gelegd op de aan [verweerder] verkochte, maar nog niet aan hem overgedragen, onroerende zaken.

(iv) [Verweerder] heeft bij een op 22 april 1996 aanhangig gemaakt kort geding gevorderd het Land Aruba te veroordelen het beslag op te heffen. Aan deze vordering heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat het beslag jegens hem onrechtmatig was omdat hij (reeds) economisch eigenaar was van de onroerende zaken. Als gevolg van het beslag kon geen overdracht ervan meer plaatsvinden. Bij uitwinning van deze zaken zou hij dan ook zijn investering verliezen.

(v) Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft bij vonnis van 12 juni 1996, uitvoerbaar bij voorraad het Land bevolen het beslag op de onroerende zaken binnen tweemaal 24 uur op te heffen. De inschrijving van het beslag in de openbare registers is op 13 juni 1996 doorgehaald.

(vi) [Verweerder] heeft op 18 juni 1996, daartoe bij de onder (ii) genoemde volmacht gemachtigd, de onroerende zaken aan zichzelf geleverd.

(vii) Het Land heeft tegen het kortgedingvonnis van 12 juni 1996 hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Dit Hof heeft bij zijn vonnis van 17 juni 1997 het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg vernietigd voor zover daarbij de opheffing van het beslag was bevolen. Het Hof heeft daartoe, kort weergegeven, overwogen dat [verkoper] ten tijde van het beslag juridisch eigenaar was van de onroerende zaken en dat de obligatoire rechten van [verweerder] - hoe ook genaamd - niet aan de rechtsgeldigheid van het beslag in de weg staan.

(viii)Op grond van dit vonnis heeft de Ontvanger op 20 juni 1997 de doorhaling van het beslag in de openbare registers ongedaan doen maken.

(ix) Op 27 juli 1997 heeft [verweerder] de te [woonplaats B] gelegen onroerende zaak verkocht aan een derde. Om deze zaak te kunnen leveren heeft hij de Ontvanger verzocht de (herleefde) beslagen (opnieuw) op te heffen. De Ontvanger heeft dit geweigerd.

3.2 In dit kort geding heeft [verweerder] gevorderd dat het Gerecht in Eerste Aanleg het Land en de Ontvanger zal bevelen het (herleefde) beslag op de onroerende zaken op te heffen. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft deze vordering afgewezen. Het Hof heeft echter geoordeeld, kort weergegeven, dat de overdracht van de onroerende zaken door [verkoper] aan [verweerder], geschied in de periode tussen de opheffing van het beslag en de vernietiging van het vonnis waarbij de opheffing werd bevolen, door de Ontvanger moet worden geëerbiedigd. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de onroerende zaken door de overdracht aan [verweerder], uit het vermogen van de beslagdebiteur zijn geraakt, zodat het beslag daarop niet kon herleven. Het Hof heeft de Ontvanger bevolen mee te werken aan doorhaling van het beslag.

3.3.1 Het middel, dat zich keert tegen de beslissing van het Hof en de gronden waarop het berust, strekt ten betoge dat bij vernietiging van een vonnis waarbij een beslag werd opgeheven, dan wel werd bevolen het beslag op te heffen, het beslag met terugwerkende kracht herleeft, en dat bij deze herleving slechts tussentijds door derden te goeder trouw verkregen rechten bescherming verdienen. Met derden te goeder trouw doelt het middel klaarblijkelijk op derden die niet ervan op de hoogte zijn dat het vonnis waarbij het beslag werd opgeheven of de opheffing werd bevolen, nog niet in kracht van gewijsde is gegaan en daartegen hoger beroep is ingesteld.

Het middel richt zich voorts tegen ’s Hofs hiervoor weergegeven oordeel dat de onderhavige onroerende zaken door de overdracht aan [verweerder] uit het vermogen van de beslagdebiteur zijn geraakt, zodat het beslag daarop niet kon herleven.

3.3.2 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat een beslag dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is opgeheven herleeft door vernietiging in hoger beroep van dat vonnis met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd (HR 23 februari 1996, nr. 15886, NJ 1996, 434).

Een beslag als het onderhavige heeft mede de strekking degene ten laste van wie het is gelegd, de beslagene, in zoverre te beletten het goed te vervreemden of te bezwaren dat een vervreemding of bezwaring, tot stand gekomen na het beslag, niet kan worden ingeroepen tegen de beslaglegger. Opheffing van een beslag bij of ingevolge een bij voorraad uitvoerbaar vonnis, strekt ertoe de beslagene volledig te herstellen in zijn bevoegdheid om het goed te vervreemden of te bezwaren. Een derde kan rechten, die hij van de beslagene heeft verkregen in het tijdvak gelegen tussen de opheffing van het beslag en de vernietiging van het vonnis, dan ook aan de beslaglegger tegenwerpen.

Er is geen grond om, zoals het middel wil, hierover anders te oordelen indien de verkrijger ten tijde van zijn verkrijging ervan op de hoogte was dat het tot opheffing van het beslag strekkende vonnis nog niet in kracht van gewijsde was gegaan en dat daartegen hoger beroep was ingesteld. Een beperking als door het middel verdedigd zou ook in strijd zijn met de rechtszekerheid die wordt gediend door het stelsel van openbare registers waarin feiten die voor de rechtstoestand van onroerende zaken van belang zijn, worden in- of overgeschreven. In geval van vernietiging van het tot opheffing van het beslag strekkende vonnis, zou deze verkrijger het beslag dan immers moeten eerbiedigen en diens bevoegdheid om over het goed te beschikken zou met terugwerkende kracht door het herleefde beslag zijn beperkt. Het beslag zou aldus in beginsel ook aan de derde kunnen worden tegengeworpen zonder dat deze door kennisneming van in de openbare registers in- of overgeschreven feiten van het beslag op de hoogte had kunnen zijn.

Weliswaar kan de beslaglegger aldus als gevolg van de opheffing van het beslag een mogelijkheid om verhaal te nemen op een goed van zijn schuldenaar worden ontnomen, maar de rechter heeft de mogelijkheid daarvoor een voorziening te treffen door bij zijn vonnis waarbij hij het beslag opheft aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld (HR 20 januari 1995, nr. 15708, NJ 1995, 413).

3.3.3 Uit dit een en ander volgt dat ’s Hofs hiervoor onder 3.2 weergegeven oordelen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba juist zijn. Daarop stuiten alle in het middel vervatte klachten af.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, C.H.M. Jansen, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 26 mei 2000.