Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5878

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-05-2000
Datum publicatie
17-05-2000
Zaaknummer
1271
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2000, 135
NJ 2000, 454

Uitspraak

Nr. 1271

17 mei 2000

in de zaak van

De Coöperatie W.A.

Coöperatieve Op- en

Overslagvereniging

Amersfoort W.A.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. N.A. de Leeuw,

tegen

De Gemeente Amersfoort,

zetelende te Amersfoort,

verweerster in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De Gemeente Amersfoort heeft bij exploit van 7 september 1998 eiseres tot cassatie (hierna: COVA) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Utrecht en in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling en van de volkshuisvesting gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Gemeente van de in dat exploit nader omschreven onroerende zaken, waarvan COVA is aangewezen als eigenaar, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 3 maart 1999 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor COVA bepaald op f 7.078.500,--, voorts bepaald dat de Gemeente gestand zal doen haar bij dagvaarding gedane aanbod tot voortgezet gebruik tot een maand na de inschrijving van het onteigeningsvonnis, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Voor het verloop van het geding in cassatie tot dusver verwijst de Hoge Raad naar zijn tussenarrest van 13 oktober 1999, NJ 1999, 770.

2.2. Bij dit tussenarrest heeft de Hoge Raad het beroep van de Gemeente op de niet-ontvankelijkheid van COVA in haar beroep in cassatie verworpen en de zaak verwezen naar de rol van 27 oktober 1999 voor voortprocederen.

2.3. Partijen hebben hun standpunten met betrekking tot het door COVA voorgestelde middel tot cassatie schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. COVA heeft gerepliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal Ilsink heeft op 2 februari 2000 geconcludeerd tot verwerping van het beroep in cassatie.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De drie onderdelen van het middel betreffen de vraag of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door aan COVA het voortgezet gebruik van de te onteigenen onroerende zaken tot slechts één maand na inschrijving van het onteigeningsvonnis aan te bieden. Blijkens de repliek in cassatie beoogt het middel hiermee niet de geldigheid van de onteigeningstitel, maar slechts de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van de op zichzelf geldige onteigeningstitel te bestrijden.

3.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat de omstandigheid dat de onteigenende partij geen of slechts voor een korte periode voortgezet gebruik aanbiedt, de rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van een op zichzelf geldige onteigeningstitel niet raakt. Een onteigeningstitel kan immers terstond ten uitvoer worden gelegd en een aanbod tot voortgezet gebruik betreft uitsluitend de nog vast te stellen schadeloosstelling, waarvan in dit geding nog moet worden beoordeeld of zij moet worden vastgesteld op grondslag van liquidatie of van voortzetting elders. Daarbij verdient opmerking dat, indien COVA zich als gevolg van het feit dat de Gemeente slechts een voortgezet gebruik gedurende één maand heeft aangeboden, gedwongen zou zien haar bedrijf (tijdelijk) te staken, zulks de rechter niet ertoe noopt de schadeloosstelling op basis van liquidatie van het bedrijf in stede van op basis van voortzetting elders te bepalen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

- verwerpt het beroep, en

- veroordeelt COVA in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente gevallen, begroot op f 632,20 aan verschotten en op f 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier, en op 17 mei 2000 in het openbaar uitgesproken.