Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5871

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/335HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 298
JWB 2000/66

Uitspraak

19 mei 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/335HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr J.K. Franx,

t e g e n

1. [Verweerder 1],

2. [Verweerder 2], echtelieden,

beiden wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr J.W. van Leeuwen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerders] - hebben bij exploit van 14 juni 1995 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd:

1. [eiser] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een nader door de Rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, de aanbouw aan de gevel aan de zuid-zijde van diens woonhuis af te breken en deze gevel te herstellen in de staat waarin deze vóór 1993 verkeerde;

2. [eiser] te veroordelen tot het tegen afdoende kwijting aan [verweerders] te betalen van een dwangsom van ƒ 500,--, althans van een door de Rechtbank in goede justitie nader te bepalen dwangsom voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat [eiser] nalaat om volledig aan het hierboven onder 1 bedoelde gebod te voldoen, met dien verstande dat [eiser] bij betaling aan de een jegens de ander gekweten zal zijn.

[Eiser] heeft de vorderingen bestreden en in voorwaardelijke reconventie gevorderd de bij akte van 25 november 1974 ten dienste van het daarin aangewezen heersend erf en ten laste van het erf van [eiser] omschreven erfdienstbaarheid gedeeltelijk op te heffen en wel voor zover het de binnen 10 meter vanaf de ongeveer (oor-spronkelijke) noordgrens van het heersend erf gelegen strook grond betreft, waarop de in het geschil zijnde plantenkas is gesticht.

[Verweerders] hebben de vordering in voorwaardelijke reconventie bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 27 maart 1996 een comparitie van partijen en een descente gelast. Bij eindvonnis van 9 april 1997 heeft de Rechtbank in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie de vordering toegewezen.

Tegen dit eindvonnis hebben [verweerders] in conventie en in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Ge-rechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 16 juli 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd en opnieuw rechtdoende in hoger beroep in conventie de vorderingen van [verweerders] toegewezen en in reconventie de vordering van [eiser] afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling- van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3.Beoordeling van het middel

3.1In cassatie gaat het om het volgende.

Ten laste van een perceel grond toebehorend aan [eiser] en ten behoeve van een perceel grond toebehorend aan [verweerders] is een erfdienstbaarheid gevestigd bestaande in het verbod binnen een zekere afstand van de grens tussen de percelen bepaalde opstallen te bouwen. [Eiser] heeft in 1993 aan de zuidgevel van zijn, op het dienende erf staan-de, woonhuis een aanbouw aangebracht. [Verweerders] hebben - samengevat en voorzover in cassatie van belang - gevorderd dat [eiser] wordt verplicht de aanbouw aan de zuidgevel van zijn huis af te breken en deze gevel te herstellen in de staat waarin deze vóór 1993 verkeerde. [Eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerders] geen belang hebben bij hun vordering, en heeft van zijn kant gevorderd dat de erfdienstbaarheid gedeeltelijk zal worden opgeheven. De Rechtbank heeft de vorderingen in conventie afgewezen en de vordering van [eiser] toegewezen. In hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank vernietigd en heeft het [eiser] bevolen om de aanbouw aan de zuidzijde van diens woonhuis af te breken en deze gevel te herstellen in de staat waarin deze vóór 1993 verkeerde.

3.2De onderdelen 1 tot en met 4 van het middel bestrijden met rechts- en motiveringsklachten het oordeel van het Hof dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en dat de aanbouw, gezien de bestaande erfdienstbaarheid, dient te worden afgebroken.

De in de onderdelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.3Onderdeel 5 van het middel betoogt dat het Hof ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan het verweer van [eiser] dat een herstel in de toestand van vóór 1993 niet mag worden bevolen, omdat een herstel (of beter: een wijziging) in een toestand die niet door de erfdienst-baarheid wordt verboden, voldoende moet zijn.

Het onderdeel is gegrond. In de akte na comparitie van partijen van 18 december 1996 heeft [eiser] onder 10b (slot) gesteld dat hij niet gehouden is tot een herstel van de gevel in de oude toestand en dat hem niet kan worden verboden die gevel na afbraak van de door hem als plantenkas aangeduide aanbouw anders in te richten, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een schuifpui. Nu het Hof tot een ander oordeel kwam dan de Rechtbank, had het dit verweer dienen te onderzoeken.

3.4 De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Tot de stukken van het geding behoort een notariële akte van 29 december 1989, waarin partijen een tussen hen getroffen schikking hebben vastgelegd. Deze akte houdt - voorzover hier van belang - in: "Wel blijft van kracht de erf-dienstbaarheid in gemelde akte" - daarbij wordt gedoeld op een akte van 25 november 1974, verleden voor notaris H.M. van Oostrom te Berkel en Rodenrijs, overgeschreven ten hypotheekkantore te Utrecht op 27 november 1974 in deel 2852 nummer 83 - "onder 7 omschreven, inhoudende het verbod om binnen een strook van 10 meter breedte gerekend vanaf de ongeveer noordgrens van de heersende erven, op de lijdende erven opstallen te stichten anders dan kassen en dergelijke voor de kweek van agrarische producten (bloe-men, planten, groenten en fruit) terwijl het verder met betrekking tot die erfdienstbaarheid omschrevene komt te vervallen." Deze omschrijving van de erfdienstbaarheid laat geen andere conclusie toe dan dat het verweer van [eiser] terecht is gevoerd. Het Hof had het gevorderde herstel van de woning van [eiser] in de staat van vóór 1993 niet mogen toewijzen. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 juli 1998;

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 9 april 1997;

beveelt [eiser] om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbouw aan de gevel aan de zuidzijde van diens woonhuis af te breken;

veroordeelt [eiser] tot het tegen voldoende kwijting aan [verweerders] betalen van een dwangsom van ƒ 500,-- voor elke dag, een deel van een dag daaronder begrepen, dat hij nalaat om volledig aan het zojuist gegeven bevel te voldoen, tot een maximum van ƒ 100.000,--, met dien verstande dat hij bij betaling aan de één jegens de ander gekweten zal zijn;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure in conventie tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op ƒ 2.184,30;

wijst de vorderingen van [eiser] in reconventie af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure in reconventie tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op ƒ 860,--;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op ƒ 5.651,08;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 730,64 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herr-mann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en J.B. Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raads-heer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.