Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5869

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/022HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5869
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 14, geldigheid: 2000-05-19
Wet openbaarheid van bestuur 1, geldigheid: 2000-05-19
Wet openbaarheid van bestuur 10, geldigheid: 2000-05-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 289
NJ 2001, 43
RvdW 2000, 128
JWB 2000/64
NTM/NJCM-bull. 2001, p. 431

Uitspraak

19 mei 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/022HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De arts],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr G. Spong,

t e g e n

DE INSPECTEUR VOOR DE GEZONDHEIDSZORG VOOR NOORD-BRABANT EN ZEELAND,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr G.R.J. de Groot.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 3 oktober 1997 ter griffie van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven, hierna: het College, ingekomen klaagschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de Inspecteur - zich gewend tot dat College en een klacht tegen thans verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de arts - ingediend.

De arts heeft de klacht bestreden.

Het College heeft bij beslissing van 16 februari 1998 de klacht zoals omschreven in deze beslissing gegrond verklaard en aan de arts de maatregel van schorsing in de uitoefening van de geneeskunst voor de tijd van zes maanden opgelegd.

Tegen deze beslissing hebben zowel de arts als de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij beschikking van 15 december 1998 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd, het beroep van de Inspecteur en de klacht gegrond verklaard, verstaan dat de arts zich schuldig heeft gemaakt aan gewoonte van drankmisbruik, grove onkunde en handelingen, die het vertrouwen in de stand der geneeskundigen ondermijnen, de arts deswege de maatregel van ontzegging van de bevoegdheid geneeskunst uit te oefenen opgelegd en het beroep van de arts afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de arts beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Inspecteur heeft verzocht het beroep te ver-werpen.

De zaak is voor partijen schriftelijk toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Middel I klaagt dat het Hof niet heeft beslist op het verweer dat de arts zich niet adequaat kan verdedigen tegen “stokoude beschuldigingen”, die dateren uit 1982, 1983, 1984 en 1987 en dat het mede in aanmerking nemen van deze oude beschuldigingen in strijd komt met het door art. 6 EVRM gestelde vereiste van behandeling binnen een redelijke termijn, en met een goede procesorde.

Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag nu, zoals het Hof - in cassatie niet bestreden - in rov. 2.2.3 van zijn beschikking heeft vastgesteld, de klacht door de Inspecteur is gedaan naar aanleiding van en op grond van recent (namelijk na 1990) aan de dag getreden feiten en omstandigheden.

3.2 Middel II bestrijdt het in rov. 2.4.2 door het Hof gegeven oordeel dat sprake is van grove onkunde in het geval beschreven onder rov. 2.1g van de bestreden be-schikking: de arts liet een patiënt met een myocard-infarct in zijn woning achter om thuis de dienstdoende cardioloog en de ambulance op te bellen; in de periode tussen zijn vertrek en de komst van de ambulance kreeg de patiënt wederom een hevige pijnaanval; alvorens de arts weer ter plekke was, is de patiënt overleden.

Het middel miskent dat van grove onkunde niet alleen sprake is in extreme gevallen als in het middel genoemd. Het begrip “grove onkunde” heeft meer in het algemeen betrekking op de eisen die aan de bekwaamheid van de arts worden gesteld; daarbij is bewust geen scher-pe norm gesteld en aan de praktijk overgelaten de concrete inhoud van de norm te bepalen (memorie van toelichting bij de Medische Tuchtwet, Handelingen II, 1924-1925, 290, no. 3, blz. 4). Het bestreden oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is ook zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst; het is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve.

3.3 Middel III klaagt dat het Hof art.6 EVRM en art. 14 IVBPR heeft geschonden door acht te slaan op klachten van anonieme patiënten zodat een adequate verdediging niet mogelijk was, en voorts dat het Hof ten onrechte heeft verzuimd op dit in hoger beroep aangevoerde verweer uitdruk-kelijk te beslissen.

In de door het middel genoemde passage uit de pleitnota van de arts wordt aangetekend dat de in het overzicht van de Inspecteur vermelde feiten voorzover betrekking hebbend op contacten met patiënten, voor het overgrote deel niet naar aanleiding van klachten van deze patiënten zelf aan de Inspecteur ter ore zijn gekomen maar kennelijk op verzoek van de Inspecteur alsnog door collegae van de arts zijn gemeld. In die pleitnota wordt geklaagd dat ook dit de arts in zijn mogelijkheden van verweer bemoeilijkt omdat het veelal gaat om “beweerdelijke gebeurtenissen” die geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden, uit de tweede hand zijn gemeld, en soms zo vaag zijn dat ze niet traceerbaar zijn op een specifieke patiënt.

Het middel doelt kennelijk op de verklaring van [getuige, arts], genoemd in rov. 2.1i van het Hof, waarin deze een aantal gevallen vermeldt van niet met name genoemde patiënten van de arts, die onvrede over het functioneren van de arts bij hem hebben gemeld. Het Hof heeft deze verklaring in rov. 2.2.2 mede aan zijn uiteindelijk oordeel ten grondslag gelegd.

Het Hof heeft de gegrondbevinding van de klachten tegen de arts in overwegende mate gebaseerd op klachten van met name genoemde personen, die hebben verklaard over eigen waarnemingen en ervaringen. Hieraan kon het Hof de zich bij de stukken bevindende verklaring van [getuige] toevoegen, nu het Hof klaarblijkelijk waarde heeft gehecht aan die verklaring. Het enkele feit dat [getuige] niet de namen heeft genoemd in zijn verklaring van de bij hem klagende patiënten van de arts, behoefde het Hof daar-van niet te weerhouden. Dit zou anders kunnen zijn als de arts specifiek had aangegeven welke inlichtingen hij terzake nog had wensen te ontvangen of welke persoon hij wenste te ondervragen. Nu hij dat niet gedaan heeft kan niet gezegd worden dat hij in zijn verdediging is geschaad. Het Hof heeft derhalve, anders dan het middel betoogt, noch art. 6 EVRM noch art.14 IVBPR geschonden. Het Hof was niet verplicht voormeld verweer met zoveel woorden te bespreken. Zijn beslissing rekening te houden met de bedoelde klachten is ook niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het middel faalt derhalve.

3.4 Middel IV betoogt dat het Hof voor het opleggen van de maatregel van ontzegging van de bevoegdheid tot uitoefening van de geneeskunst ten onrechte mede redengevend heeft geacht dat de arts wegens ontucht met een minderjarige is veroordeeld, nu het betrokken strafbare feit zich heeft afgespeeld in de privésfeer van de arts.

Dit betoog berust op een verkeerde lezing van ’s Hofs beschikking, zodat het middel bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden. Het strafvonnis is immers niet aan ’s Hofs beslissing ten grond-slag gelegd.

3.5 Middel V strekt ten betoge dat het Hof het door de raadsvrouwe van de arts gevoerde verweer, inhoudende - zakelijk weergegeven - dat het gebruik van de CAD rapportage en de psychiatrische rapportage die in het kader van de onder 3.4 vermelde strafzaak tegen verzoeker zijn opgemaakt, in de onderhavige tuchtprocedure in strijd is met de Wet openbaarheid van bestuur en met art. 8 EVRM, ten onrechte heeft verworpen. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het ter beschikking stellen van de rapportages door de officier van justitie te Breda aan de Inspecteur geen ongerechtvaardigde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de arts maakte. Voorts overwoog het Hof in rov. 2.3:

“Het belang dat betrokken is bij een effectieve tuchtrechtelijke bewaking van de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg vordert en recht-vaardigt dat de tuchtrechter van deze stukken kan kennis nemen en prevaleert in zoverre boven het overigens te respecteren belang van de arts bij zijn persoonlijke levenssfeer.”

Voorzover het middel betrekking heeft op in het kader van de strafzaak opgemaakte psychiatrische rapportage faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag nu deze rapportage door het Hof niet bij zijn oordeelsvorming is betrokken.

Voorzover het middel betrekking heeft op de CAD rapportage geldt dat het ter beschikking stellen daarvan in het kader van een medische tuchtprocedure niet in strijd is met het bepaalde in de WOB. Het is evenmin in strijd met het bepaalde in art. 8 EVRM, nu het ter beschikking stellen van een dergelijke rapportage die betrekking heeft op alcoholgebruik van een arts, in het geval van een tuchtrechtelijk onderzoek tegen die arts valt onder de uitzonderingen van art. 8 lid 2 EVRM. Het oordeel van het Hof is derhalve niet in strijd met enige rechtsregel en berust voor het overige op afwegingen en waarderingen welke zijn voorbehouden aan het Hof als rechter die over de feiten oordeelt. Het bestreden oordeel is voorts genoegzaam gemotiveerd en kan in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk worden genoemd. Het middel faalt ook voor het overige.

3.6 Middel VI bevat een aantal motiveringsklachten (door het middel aangeduid als medische Meer- en Vaartverweren). De klachten falen op de gronden, uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kos-tense onder de nrs. 16 tot en met 25.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

verstaat dat uit ’s Rijks kas aan de arts geen kosten voor hem uit de behandeling van de zaak in cassatie voortvloeiend zullen worden vergoed.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president

H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren

W.H. Heemskerk, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-

Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken

door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.