Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5868

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/098HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 290
NJ 2000, 455
RvdW 2000, 129
JWB 2000/63

Uitspraak

19 mei 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/098HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De moeder],

wonende te [woonplaats A], Verenigde Staten van Amerika,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr G.E.M. Later,

t e g e n

1. [De vader],

2. [De stiefmoeder],

beiden wonende te [woonplaats B],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 25 maart 1998 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingekomen verzoekschrift hebben verweerders in cassatie - verder te noemen: de vader en de stief-moeder - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de adoptie uit te spreken van de uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de vader met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] geboren dochter [...].

De moeder heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft na verhoor van [de dochter] op 26 augustus 1998 en de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 17 september 1998 bij beschikking van 21 oktober 1998 de adoptie door de vader en de stiefmoeder van [de dochter] uitgesproken.

Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Bij beschikking van 16 maart 1999 heeft het Hof voor-melde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vader en de stiefmoeder hebben verzocht het be-roep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot vernietiging van de beschikking van het Hof en tot afwijzing van het adop-tieverzoek.

De advocaat van de vader en de stiefmoeder heeft bij brief van 15 februari 2000 een reactie op deze conclusie ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Uit het huwelijk van de vader en de moeder is op [geboortedatum] 1980 [de dochter] geboren.

(ii) De vader en de moeder zijn in februari 1985 uit elkaar gegaan. [De dochter] is bij haar vader gebleven.

(iii) Na de echtscheiding in 1986 is de vader benoemd tot voogd over [de dochter]. Hij heeft tot haar meerderjarigheid het gezag over haar uitgeoefend.

(iv) In 1985 heeft [de dochter] in totaal ongeveer vijf weken omgang met haar moeder gehad. In 1986 is de moeder naar Engeland verhuisd waar haar huidige echtgenoot woonde en werkte. In dat jaar heeft [de dochter] gedurende vier weken in de zomervakantie omgang met haar moeder gehad. In 1992 is de moeder met haar echtgenoot in Nederland gaan wonen. In 1996 zijn zij vertrokken naar de Verenigde Staten van Amerika. In de jaren na 1986 is er weinig contact geweest tussen de moeder en [de dochter].

(v) De vader en de stiefmoeder zijn in september 1985 met elkaar gaan samenwonen. Sindsdien leven zij met [de dochter] in gezinsverband. Op 28 december 1988 zijn zij gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

3.2 De Rechtbank heeft op verzoek van de vader en de stiefmoeder het onder 1 vermelde adoptieverzoek toegewezen. Het Hof heeft die beschikking op het hoger beroep van de moeder bekrachtigd. Daartoe heeft het Hof, kort samengevat, als volgt overwogen. Op het verzoek is het vóór 1 april 1998 geldende recht van toepassing (rov. 4.1). De adoptie is in het kennelijk belang van [de dochter] (rov. 4.3). [De dochter] heeft immers niets meer te verwachten van de moeder als verzorgster en opvoedster. Zij is gedurende een lange periode door de vader en de stiefmoeder opgevoed en zij stemt uitdrukkelijk in met de gevraagde adoptie (rov. 4.4). [De dochter] beschouwt sedert 1991/92 alleen de stiefmoeder als haar moeder. [De dochter] heeft de spaarzame contacten met de moeder als oppervlakkig en teleurstellend ervaren (rov. 4.5). [De dochter] wil de verbondenheid tussen haar, de stiefmoeder en de beide uit het huwelijk van de vader en de stiefmoeder geboren kinderen juridisch bevestigd zien (rov. 4.6). De psychische moeilijkheden van [de dochter] zijn niet veroorzaakt door de indiening van dit adoptieverzoek, doch bestonden volgens [de dochter] al langer als gevolg van het gebrek aan (serieus) contact met haar moeder (rov. 4.7). Het Hof heeft geen behoefte aan deskundige voorlichting over het belang van [de dochter] bij de adoptie (rov. 4.8).

De moeder heeft gesteld dat zij zich bij de inroeping van haar vetorecht heeft laten leiden door de belangen van [de dochter]. Als de adoptie zou worden uitgesproken zou dat volgens de moeder [de dochter] bevestigen in haar onjuiste opvatting dat zij een slechte moeder heeft die haar in de steek heeft gelaten (rov. 4.10). De moeder heeft het beste met [de dochter] voor (rov. 4.11), maar maakt misbruik van haar vetorecht omdat zij, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het door haar gestelde belang bij de uitoefening van dat recht en het belang van [de dochter] bij de adoptie, in redelijkheid niet tot uitoefening van dat recht had kunnen komen, waarbij het Hof in het bijzonder in aanmerking neemt dat [de dochter] zeer lange tijd door de adoptanten is verzorgd en opgevoed (rov. 4.12).

3.3 Onderdeel 1 van het middel kan niet tot cassatie leiden, omdat het feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft, anders dan in het onderdeel wordt aangevoerd, blij-kens zijn rov. 4.10 en 4.11 de stellingen van de moeder besproken en verworpen.

3.4 Onderdeel 2 klaagt dat de afwijzing van het verzoek van de moeder tot het inschakelen van een deskundige onbegrijpelijk is en onvoldoende is gemotiveerd, en dat hetzelfde geldt voor de overweging waarin het Hof vaststelt dat [de dochter] al voor de indiening van het adoptieverzoek contact heeft opgenomen met een maatschappelijk werk-ster.

Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt, overgelaten of hij behoefte heeft aan nadere deskundige voorlichting. Daarom kan de eerste klacht niet tot cassatie leiden.

Het Hof heeft op grond van de in zijn rov. 4.7 vermelde verklaring van [de dochter] aangenomen dat [de dochter] al vóór de indiening van het adoptieverzoek psychische problemen had. Daarop stuit de tweede klacht af.

3.5 Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt.

Bij de beoordeling van dit onderdeel moet het volgende worden vooropgesteld. Ofschoon het vetorecht aan de andere ouder is toegekend omdat adoptie het voor hem ingrijpende gevolg heeft dat zij de tussen hem en zijn kind bestaande familierechtelijke betrekkingen beëindigt, behoort de andere ouder bij het uitoefenen van deze be-voegdheid het belang van het kind zwaar te laten wegen. Voorts zal in de regel het belang van het kind om door de adoptanten te worden geadopteerd toenemen naar mate het door hen langer is verzorgd en opgevoed (HR 20 mei 1994, nr. 8409, NJ 1994, 626).

Door op de gronden vermeld in rov. 4.12, hiervoor weergegeven in 3.2, te oordelen dat de moeder misbruik van haar vetorecht heeft gemaakt, heeft het Hof derhalve niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het kan voor het overige, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

Op het vorenoverwogene stuit het onderdeel af.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren P. Neleman, R. Herrmann, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.