Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5867

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/123HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5867
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 177, geldigheid: 2000-05-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2000/147
JOL 2000, 292
NJ 2000, 441
RvdW 2000, 131
JWB 2000/62

Uitspraak

19 mei 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/123HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr U.W.G. Thöle,

t e g e n

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 4 maart 1996 ter griffie van de Rechtbank te Dordrecht ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht echtscheiding tussen hem en verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken en, voor zover in cassatie nog van belang, boedelscheiding verzocht.

De vrouw heeft bij verweerschrift zich gerefereerd ten aanzien van de verzoeken van de man en bij aanvullend verweerschrift vaststelling van de verdeling verzocht.

De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 15 oktober 1997 echtscheiding tussen partijen uitgesproken en iedere verdere beslissing aangehouden. Na een mondelinge behandeling in raadkamer op 12 november 1997 heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 28 januari 1998 de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld waarbij onder meer aan de vrouw en de man per saldo, behoudens verrekening van de waarde van een 20% vennootschapsaandeel, ieder is toebedeeld ƒ 492.140,-- minus ƒ 227.156,-- = ƒ 264.984,--, een en ander zoals in het dictum van deze beschikking omschreven.

Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij beschikking van 23 april 1999 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd voor zover het betreft de toedeling van het aandelenpakket in de besloten vennootschap Ribru, de waarde van de inboedel, de verdeling van de wooncaravan en de verrekening terzake de overbedeling, en in zoverre opnieuw beschikkende het aandelenpakket in Ribru B.V. aan de man toegedeeld voor een waarde van ƒ 460.000,--. Voorts heeft het Hof bepaald dat de vrouw de waarde van de haar toebedeelde inboedel moet laten bepalen en de helft van de uiteindelijke waarde aan de man dient uit te betalen, de vrouw toegelaten te bewijzen dat de wooncaravan tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort, bepaald dat de man aan de vrouw wegens overbedeling dient te betalen een bedrag van (behoudens een andere verrekening van de waarde van de vennootschap onder firma, de waarde van de inboedel en de eventueel nog te verrekenen waarde van de wooncaravan) ƒ 232.843,50, de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het Hof onderworpen, voor het overige be-krachtigd, het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen, en de zaak ter verdere behandeling naar de Rechtbank te Dordrecht verwezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

Bij beschikking van de Rechtbank van 15 oktober 1997 is tussen de man en de vrouw echtscheiding uitgesproken en is de beslissing inzake de boedelverdeling aangehouden. Deze beschikking is op 25 februari 1998 ingeschreven. Bij beschikking van 28 januari 1998 is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Daarbij heeft de Rechtbank de aandelen in de besloten vennootschap Ribru B.V. toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van ƒ 460.000,--. De Rechtbank baseerde deze waarde op de door de vrouw aangevoerde omstandigheid dat de twee zonen van partijen bereid zijn dit pakket voor een prijs van ƒ 460.000,-- over te nemen.

In hoger beroep hebben zowel de man als de vrouw verzocht om de bedoelde aandelen toe te delen aan de man. Volgens de vrouw diende dit te geschieden voor het door de Rechtbank bepaalde bedrag, volgens de man voor een lager bedrag.

Het Hof heeft het aandelenpakket toegedeeld aan de man voor een waarde van ƒ 460.000,--. Het Hof overwoog daartoe het volgende (waarbij de Hoge Raad een kennelijke schrijffout in rov. 2 verbeterd weergeeft):

“1. De partijen zijn het eens over toebedeling van de aandelen in Ribru B.V. aan de man.

2. De man heeft bestreden dat voor de waarde van die aandelen mag worden aangeknoopt bij een bod van de zonen van de partijen, aanvoerende dat dezen blijkens een overgelegd financieringsvoorstel hun bod slechts kunnen financieren in strijd met de wet, namelijk met artikel 2:207c BW. Het hof zal bij de beoordeling mede betrekken een verklaring van de vestiging Oud-Beijerland van de ING-bank van 24 september 1997 die in het geding is gebracht, volgens welke een eventueel te vragen bedrijfsfinanciering tot ƒ 250.000,-- mogelijk is, uitgaande van de financiële positie van de B.V. zoals blijkt uit de jaarcijfers over 1996 (die het hof niet kent). Uit het genoemde financieringsvoorstel blijkt dat de B.V. eind 1996 een hypothecaire schuld had van ongeveer ƒ 118.000,--. De ING-bank was dus bereid ƒ 18.000,-- meer te financieren dan de Rabobank. In deze omstandig-heden, mede gelet op hetgeen overigens over de financiële positie van Ribru B.V. naar voren is gekomen (onder meer een stille reserve in het onroerende goed), had de man niet mogen volstaan met een beroep op artikel 2:207c lid 1 BW ter bestrijding van het beroep van de vrouw op het bod van de zonen, maar had hij ook moeten stellen dat en waarom de nodige financiering niet langs de weg van lid 2 van artikel 2:207c BW begaanbaar zou zijn. Nu hij dit heeft nagelaten, faalt zijn grief tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de aandelenwaardering mag worden aangeknoopt bij het bod van de zonen. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat de zonen het bod niet hebben gedaan om zeggenschap in de b.v. te krijgen noch dat hun bod niet serieus is.”

3.2 Tussen partijen is terecht niet in geschil dat in een dergelijk geval voor de bepaling van de waarde van aandelen in een besloten vennootschap in beginsel aansluiting kan worden gezocht bij de prijs die daarvoor door derden wordt geboden.

In het onderhavige geval heeft de vrouw aangevoerd dat de waarde van de aandelen van Ribru B.V. op een hoger bedrag moest worden gesteld dan volgens de man juist was, zulks op de grond dat de zonen van partijen bereid waren dat bedrag voor de aandelen te betalen en daarvoor de nodige financiering konden verkrijgen. De bewijslast voor deze stelling rustte - bij voldoende gemotiveerde betwisting door de man - op de vrouw.

De man heeft bestreden dat dit bod een goede basis vormde voor de waardebepaling, zulks op de grond dat dit bod afhankelijk was van een bankfinanciering die niet verkregen kon worden zonder dat in strijd met art. 2:207c lid 1 BW zou worden gehandeld. Het Hof heeft dit verweer kennelijk voorshands gegrond geoordeeld. ’s Hofs oordeel dat niettemin aan het verweer voorbijgegaan moet worden aangezien de man niet tevens heeft gesteld dat en waarom financiering van het bod van de zonen niet kan geschieden door middel van een lening van de vennootschap binnen de grenzen van lid 2 van artikel 2:207c, miskent dat het - naar uit het hiervoor overwogene volgt - aan de vrouw was om, indien daarvoor gronden waren, te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de zonen bereid en in staat waren om het bod met een andere, wel toegestane financiering gestand te doen. De hierop gerichte klacht van onderdeel 3.2 slaagt derhalve. Onderdeel 3.1 behoeft geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 23 april 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president H.L.J. Roelvink als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.