Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5862

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-05-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C96/323HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5862
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 294
JWB 2000/59

Uitspraak

19 mei 2000

Eerste Kamer

Nr. C96/323HR (16.505)

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verhuurster],

wonende te [woonplaats A],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr W.B. Teunis,

t e g e n

[Huurder],

wonende te [woonplaats B], Bondsrepubliek Duitsland,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1.Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [huurder] - heeft bij exploit van 17 december 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [verhuurster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amersfoort en na wijziging van eis gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat de ingevolge het Besluit Huurprijzen Woonruimte tenminste redelijke huurprijs van de door [huurder] gehuurde woonruimte aan de [adres] te [woonplaats C] ƒ 271,76 bedraagt;

2. [verhuurster] te veroordelen om aan [huurder] binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten, op straffe van een dwangsom van ƒ 250,-- voor iedere dag dat [verhuurster] in gebreke blijft om aan het te dezen te wijzen vonnis te voldoen;

3. [verhuurster] te veroordelen tot terugbetaling van het door [huurder] onverschuldigd betaalde verschil tussen de door hem betaalde voorschotten op de servicekosten ad ƒ 28.044,64 en de werkelijk gemaakte servicekosten.

[Verhuurster] heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 20 juli 1994 [verhuurster] in de gelegenheid gesteld opgave te verstrekken van kosten als bedoeld in art. 12 lid 1 van de Huurprijzenwet woonruimte met vermelding van de wijze van berekening daarvan. Bij eindvonnis van 16 november 1994 heeft de Kantonrechter de vorderingen toegewezen, zij het de vordering sub 3 tot een bedrag van ƒ 18.344,64.

Tegen beide vonnissen heeft [verhuurster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Utrecht.

Bij vonnis van 27 maart 1996 heeft de Rechtbank het tussenvonnis van de Kantonrechter bekrachtigd en diens eindvonnis vernietigd voorzover [verhuurster] daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 18.344,64; in zoverre opnieuw rechtdoende heeft de Rechtbank [verhuurster] veroordeeld om aan [huurder] te betalen een bedrag van ƒ 13.616,64 en dit eindvonnis voor het overige bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [verhuurster] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [huurder] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak in voege als in de conclusie onder 17 vermeld.

3. Beoordeling van het middel

3.1Van 15 augustus 1989 tot 1 september 1993 heeft [verhuurster] de zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [woonplaats C] aan [huurder] verhuurd voor een prijs van ƒ 850,-- per maand, in welk bedrag naast de huurprijs ook was begrepen een vergoeding voor gas, water en electriciteit.

3.2[Huurder] heeft zich, vóór 1 augustus 1994 en dus vóór de inwerkingtreding van de Wet van 16 juni 1994, Stb. 1994, 459, tot de Kantonrechter gewend en terugbetaling gevorderd van teveel betaalde servicekosten. In dat kader vorderde hij tevens vaststelling van de ingevolge het Besluit Huurprijzen Woonruimte ten minste redelijke huurprijs en veroordeling van [verhuurster] om op straffe van een dwangsom overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten. De Kantonrechter heeft - omdat [verhuurster], ofschoon daartoe bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld, de gevraagde overzichten niet verstrekte - in zijn eindvonnis de werkelijk gemaakte servicekosten gesteld op ƒ 200,-- per maand en ƒ 9.700,-- in totaal, en voorts voor recht verklaard dat de ten minste redelijke huurprijs ƒ 271,76 per maand bedroeg, [verhuurster] veroordeeld om a) binnen twee dagen na betekening van het vonnis aan [huurder] overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten op straffe van een dwangsom van ƒ 50,-- per dag met een maximum van ƒ 2.500,- en b) ƒ 18.344,64 aan teveel betaalde servicekosten aan [huurder] terug te betalen.

3.3In hoger beroep - waar de onder 3.2 genoemde bedragen van ƒ 200,-- en ƒ 271,76 niet in geschil waren - heeft de Rechtbank de grieven van [verhuurster] verworpen, behoudens voorzover daarin werd betoogd dat de Kantonrechter de vordering tot terugbetaling ten onrechte niet tot een verminderd bedrag had toegewezen, het terug te betalen bedrag bepaald op ƒ 13.616,64 en de vonnissen van de Kantonrechter voor het overige bekrachtigd. Grief I, luidende: “Ten onrechte heeft de Kantonrechter bepaald dat mevrouw [verhuurster] verplicht is om jaarlijks een overzicht te verstrekken van de servicekosten.”, berustte naar het oordeel van de Rechtbank (rov. 4.1) op een verkeerde lezing van de vonnissen waarvan beroep en miskende voorts dat op de overeenkomst van partijen het bepaalde in art. 12 lid 2 Huurprijzenwet woonruimte van toepassing is.

3.4Onderdeel 2 van het middel keert zich tegen laatstvermeld oordeel. Het onderdeel is gegrond. In hoger beroep was niet in geschil dat de servicekosten over de gehele huurperiode ƒ 200,-- per maand bedroegen. In aanmerking genomen dat de huur was geëindigd, was daarmee de grond komen te ontvallen aan de vordering tot het verstrekken van overzichten van de werkelijk gemaakte servicekosten. Nu grief I zich richtte tegen de veroordeling tot het verstrekken van die overzichten, had de Rechtbank tot het oordeel moeten komen dat het eindvonnis van de Kantonrechter ook in zoverre niet in stand kon blijven.

3.5De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6De gegrondbevinding van onderdeel 2 brengt mee dat het vonnis van de Rechtbank moet worden vernietigd zoals hierna zal worden vermeld. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 27 maart 1996, doch uitsluitend voorzover daarbij het vonnis van de Kantonrechter te Amersfoort van 16 november 1994 werd bekrachtigd voorzover inhoudende de veroordeling van [verhuurster] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [huurder] overzichten te verstrekken van de werkelijk gemaakte servicekosten;

vernietigt laatstgenoemd vonnis in zoverre en wijst de vordering van [huurder] tot het verstrekken van die overzichten af;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat ieder partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 19 mei 2000.