Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5802

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2000
Datum publicatie
26-07-2001
Zaaknummer
01263/99
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5802
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 82, geldigheid: 2000-05-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 305
NJ 2000, 510

Uitspraak

16 mei 2000

Strafkamer

nr. 01263/99

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het

Gerechtshof te Amsterdam

van 2 augustus 1999 in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Geniepoort" te Alphen aan den Rijn.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 11 februari 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. subsidiair "zware mis-

handeling" en 2. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de terechtzitting waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen nog ingekomen brief van de raadsman, gedateerd 27 maart 2000.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. In het middel wordt erover geklaagd dat de bewezenverklaring inhoudende dat door de verdachte zware mishandeling is gepleegd niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2. De bewezenverklaring houdt ter zake van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde in dat de verdachte:

"(...) op 25 juli 1998 te Haarlem een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schotverwonding in een been) heeft toegebracht door deze opzettelijk met een vuurwapen (pistool) door een been te schieten".

Voor wat het door het slachtoffer opgelopen letsel betreft steunt de bewezenverklaring op de volgende bewijsmiddelen:

- als tegenover de politie afgelegde verklaring van het slachtoffer (bewijsmiddel 2):

"(...) Hij trof mij in mijn onderbeen. Ik voelde een hevige pijnscheut. Een vriend heeft mij naar het E.G. ziekenhuis te Haarlem gebracht waar ze gips om mijn been hebben gedaan. Het betrof een in- en uitschotwond".

- als relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 3):

"Op 28 juli werd in zijn woning aangehouden [slachtoffer].

“Wij, verbalisanten, zagen tijdens de aanhouding dat het been van [slachtoffer] vanaf zijn enkel tot even onder de knie in het verband zat (...)".

- als verklaring van de behandelend arts van de EHBO van het Kennemer Gasthuis, locatie E.G. te Haarlem (bewijsmiddel 4):

"(...) Beschrijving van het letsel: schotverwonding in onderbeen".

- als tegenover de politie afgelegde verklaring van [Getuige 1] (bewijsmiddel 6):

"[Slachtoffer] kwam via de trap naar beneden gerold. Ik zag dat hij gewond was aan een been en bloedde".

- als tegenover de politie afgelegde verklaring van [Getuige 2] (bewijsmiddel 7):

"(Ik zag) [slachtoffer] hinkend voorbijkomen. Ik zag dat [slachtoffer] geraakt was in zijn been. [Slachtoffer] zei tegen mij dat hij geraakt was door een kogel".

- als tegenover de politie afgelegde verklaring van [Getuige 3] (bewijsmiddel 9):

"Ik zag dat [slachtoffer] weghinkte. Ik zag dat [slachtoffer] aan een been bloedde en dat er een gaatje in zijn been en broek zat".

3.3. Art. 82 Sr bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (vgl. bijvoorbeeld HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 828).

3.4. Blijkens hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven heeft het Hof vastgesteld

- dat het slachtoffer een schotverwonding in het (onder)been heeft opgelopen,

- dat een kogel zijn been aan de voorzijde is binnengedrongen en aan de achterzijde heeft verlaten,

- dat hij als gevolg van deze verwonding van de trap is gerold en zich hinkend voortbewoog,

- dat hij zich in het ziekenhuis onder behandeling heeft moeten stellen,

- dat aldaar een gipsverband is aangebracht om zijn been,

- dat gebleken is dat het been na enige dagen nog steeds geheel in verband was gewikkeld.

3.5. Gelet op deze door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, getuigt zijn oordeel dat het aan het slachtoffer toegebrachte letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, niet van een onjuiste uitleg van laatstvermeld begrip. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

3.6. Het middel faalt derhalve.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Met het middel wordt betoogd dat de verwerping van het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat sprake is van een ondeugdelijke en onbetrouwbare identificatiemethode niet naar behoren is gemotiveerd.

4.2. Blijkens de volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota is namens verzoeker aldaar onder meer aangevoerd dat van de 12 in het kader van een fotoconfrontatie aan de getuigen getoonde foto's er slechts 4 voldeden aan het door de getuigen opgegeven signalement (Chinees uiterlijk en halflang haar) en dat voor een correcte en betrouwbare herkenning een aantal van 4 onvoldoende is en voorts:

"Omdat met de gebruikte fotosamenstelling de kans op een 'foute' herkenning zeer groot is, is deze gebrekkig te noemen. De herkenningen die op basis van de fotosamenstelling zijn geschied(), zijn dan ook niet voldoende betrouwbaar om aan het bewijs te kunnen meewerken".

4.3. Het Hof behoefde omtrent dit verweer niet uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen. Immers, het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen,

van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt, welke beslissing in de regel geen motivering behoeft en in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Er zijn weliswaar bijzondere gevallen waarin het vorenstaande uitzondering lijdt, maar de enkele aangevoerde omstandigheid dat voor het bewijs gebezigde verklaringen, inhoudende de herkenning van een persoon, zijn verkregen door middel van een fotoconfrontatie waarbij vier van de twaalf aan de getuigen getoonde personen aan het signalement van de dader zouden voldoen, brengt niet mee dat sprake is van zo'n bijzonder geval.

4.4. Het middel faalt daarom.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren

F.H. Koster, G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 16 mei 2000.

Mr Jörg

Nr. 1263/99 Conclusie inzake:

Zitting 14 maart 2000

[Verzoeker=Verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 2 augustus 1999 is verzoeker vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlaste-gelegde feit en voorts ter zake van 1 subsidiair “zwa-re mishandeling” en 2 “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Het cassatieberoep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door verzoeker. Namens hem heeft mr D.W.H.M. Wolters, advocaat te Hoofddorp, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat aan het slachtoffer van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

4. Ten laste van verzoeker is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

“hij op 25 juli 1998 te Haarlem een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (schotverwonding in een been) heeft toegebracht door deze opzettelijk met een vuurwapen (pistool) door een been te schieten.”

5. De gebezigde bewijsmiddelen houden met betrekking tot het door het slachtoffer opgelopen letsel in:

- als tegenover de politie afgelegde verklaring van het slachtoffer (bewijsmiddel 2): “Hij trof mij in mijn onderbeen. Ik voelde een hevige pijnscheut. Een vriend heeft mij naar het E.G. ziekenhuis te Haarlem gebracht waar ze gips om mijn been hebben gedaan. Het betrof een in- en uitschotwond.” - het relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 3): “Op 28 juli 1998 werd in zijn woning aangehouden [slachtoffer]. Wij, verbalisanten, zagen tijdens de aanhouding dat het been van [slachtoffer] vanaf zijn enkel tot even onder zijn knie in het verband zat.” - als verklaring van de behandelend arts van de EHBO van het Kennemer Gasthuis, locatie E.G. te Haarlem (bewijsmiddel 4): “Beschrijving van het letsel: schotverwonding in onderbeen.”

6. Naar aanleiding van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer heeft het hof overwogen:

“De raadsvrouw heeft () ter terechtzitting betoogd dat het aan [slachtoffer] toegebrachte letsel niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. Het hof verwerpt dat betoog. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt heeft verdachte zijn pistool afgevuurd in de richting van het been van [slachtoffer], waarna een kogel uit dat pistool aan de voorzijde in het been is ingedrongen en dat been, na het hebben afgelegd van een diagonale baan naar beneden (bedoeld zal zijn: na een diagonale baan naar beneden te hebben afgelegd, NJ), aan de achterzijde weer heeft verlaten. Voor zijn verwonding he[e]ft [slachtoffer] zich in het ziekenhuis onder behandeling moeten stellen. Toen [slachtoffer] enige dagen later door de politie werd aangehouden was zijn been nog steeds geheel in verband gewikkeld. Naar normaal spraakgebruik en naar algemeen gangbare opvattingen is, gelet op voormelde feiten, sprake van zwaar lichamelijk letsel.”

7. Art. 82 Sr geeft naar aanleiding van bezwaren in de Tweede Kamer tegen een limitatieve opsomming van wat onder zwaar lichamelijk letsel dient te worden verstaan, een enunciatieve opsomming. Het is aan de rechter overgelaten om te bepalen wat als zwaar licha-melijk letsel dient te worden aangemerkt (vgl. Smidt, 1881, deel I, p. 498). Daarbij moet aansluiting worden gezocht bij wat in het gewoon spraakgebruik als zodanig wordt aangeduid (bijv. HR 12 mei 1992, DD 92.318, zie NLR aant. 2 bij art. 82).

8. Wat naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden beschouwd staat daarmee echter nog allerminst vast. Uw Raad heeft op dit onzekere terrein - waar uiteenlopende beslissingen der feitenrechters op bezwaren van rechtsgelijkheid kunnen stuiten - (vier) piketpaaltjes geslagen. Deze hebben betrekking op de aard van het letsel, de eventuele noodzaak tot en de aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (vgl. HR 17 november 1998, NJ 1999, 151; HR 19 januari 1999, NJ 1999, 344; HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 828, HR 12 oktober 1999, griffienummer 111.401 en HR 1 februari 2000, griffienummer 112.597). Daarmee heeft de Hoge Raad een richtsnoer gegeven, waarvan mag worden aangenomen dat de praktijk er zijn voordeel mee doet. Ik be-schouw dit richtsnoer niet als een inperking van de grote vrijheid die volgens vaste rechtspraak aan de rechter die over de feiten oordeelt toekomt, maar als een structureren van die vrijheid. Daaruit volgt mijns inziens dat voor ingrijpen door de Hoge Raad alleen aanleiding bestaat indien uit de uitspraak, de aanvulling met de bewijsmiddelen of het proces-verbaal der terechtzitting in geen enkel opzicht blijkt dat de feitenrechter - in een zaak die daar juist om vraagt - zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of het toegebrachte lichamelijke letsel wel als zwaar (in de zin der door de Hoge Raad nader uitgelegde wet) kan worden aangemerkt, dan wel indien het oordeel dat daarvan sprake is, onbegrijpelijk is.

9. Het voorgaande in aanmerking nemend kan niet gezegd worden dat het hof - in zijn verwerping van het gevoerde verweer - niet bij deze vraag uitvoerig heeft stilgestaan. Het ligt naar mijn mening niet op de weg van de Hoge Raad om (hier) een andere waardering van de feiten te geven. Het oordeel van het hof dat van zwaar lichamelijk letsel sprake is, is voorts niet onbegrijpelijk, mede gelet op de omstandigheid dat het slachtoffer na het schot van de trap rolde en weghinkte, aan zijn been bloedde, dacht dat hij dood zou bloeden, en in het ziekenhuis een gipsverband heeft aangelegd gekregen dat enkele dagen later nog om zijn been aanwezig was.

10. Het middel faalt derhalve.

11. Het tweede middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, aangezien het hof het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat sprake is van een ondeugdelijke (en onbetrouwbare) identificatiemethode ten onrechte niet nader gemotiveerd heeft gepasseerd.

12. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota is namens verzoeker aldaar onder meer aangevoerd dat van de 12 in het kader van een fotoconfrontatie aan de getuigen getoonde foto’s er slechts 4 voldeden aan het door de getuigen opgegeven signalement (Chinees uiterlijk en halflang haar) en dat voor een correcte en betrouwbare herkenning een aantal van 4 onvoldoende is en voorts:

“Omdat met de gebruikte fotosamen-stelling de kans op een “foute” herkenning zeer groot is, is deze gebrekkig te noemen. De herkenningen die op basis van de fotosamenstelling zijn geschied(), zijn dan ook niet voldoende betrouwbaar om aan het bewijs te kunnen meewerken.”

13. Naar aanleiding van het ter terechtzitting in hoger beroep gedane verzoek om aan te geven waarom de getuigenverklaringen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te worden gebezigd heeft het hof overwogen:

“De selectie van de bewijsmiddelen en het oordeel omtrent de betrouwbaarheid daarvan is aan de rechter voorbehouden behoudens bijzondere omstandigheden die zich in het onderhavige geval niet voordoen noch ook zijn aangevoerd. De stelling van de raadsvrouw dat het hof dient te motiveren waarom het hof de gebezigde bewijsmiddelen betrouwbaar acht, vindt derhalve geen steun in het recht en wordt verworpen en het daartoe strekkende verzoek wijst het hof af.”

14. Het hof heeft het hiervoor onder 11 weergegeven verweer opgevat als slechts te zijn gericht tegen de betrouwbaarheid van de resultaten van de fotoconfrontatie en niet als een beroep op onrechtmatige bewijsgaring. Dat is niet onbegrijpelijk (vgl. HR 8 juli 1992, NJ 1993, 407 en HR 17 november 1992, NJ 1993, 408 beiden m.nt. ThWvV alsmede HR 6 juli 1999, griffienummer 110.682).

15. Het hof was niet gehouden omtrent dit verweer uitdrukkelijk te beslissen en kon dan ook volstaan met te overwegen zoals het heeft gedaan. Het is in beginsel immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen, wat hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal rekenschap hoeft af te leggen (vgl. HR 21 januari 1997, NJ 1997, 388 m.nt. JR en HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318 m.nt. Sch). Er zijn weliswaar bijzondere gevallen waarin het vorenstaande uitzondering lijdt, maar de omstandigheid dat 4 van de 12 aan de getuigen in het kader van de fotoconfrontatie getoonde foto’s aan het signalement van de dader zouden voldoen, brengt niet mee dat sprake is van zo’n uitzondering (vgl. HR 17 november 1992, NJ 1993, 408 m.nt. ThWvV).

16. Het middel faalt derhalve.

17. Ambtshalve zie ik, nu beide middelen falen en geen bezwaar omtrent de - kennelijk abusievelijk op het Wetboek van strafvordering in plaats van op art. 13a van de Opiumwet gebaseerde - onttrekking aan het verkeer van de XTC-pil noch omtrent de (onbekende) samenstelling van die pil is geformuleerd, geen noodzaak de juistheid van ‘s hofs beslissing in dezen, aan de orde te stellen.

18. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden