Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5733

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
111846
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5733
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 302
NJ 2000, 719

Uitspraak

9 mei 2000

Strafkamer

nr. 111846

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het Ge-rechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 november 1998 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissing-en in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 5 juni 1997 B de inleidende dagvaarding nietig verklaard voorzover betreft het aan de verdachte onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde en voorts de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende: “het als bedrijf uitoefenen van opzettelijk een voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat ter verveelvoudiging of ter verspreiding voorhanden hebben” veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof opdat deze op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van een na de datum waarop de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen nog binnengekomen brief van de raadsman van 25 februari 2000.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Het Hof heeft het verweer samengevat en verworpen zoals weergegeven op blz. 5 van het verkorte arrest onder het hoofd “De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs”.

3.3. Het gaat hier om een verdachte ten laste van wie kort samengevat is bewezenverklaard dat hij in de uitoefening van een bedrijf, opzettelijk ter verspreiding voorhanden heeft gehad videobanden onderscheidenlijk geluidsdragers (compact-discs), waarin met inbreuk op een anders auteursrecht werken waren vervat als nader in de bewezenverklaring omschreven. Art. 31a Auteurswet 1912, waarop de tenlastelegging voorzover hier van belang is toegesneden, spreekt in dit verband van Aeen voorwerp waarin met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat”.

De raadsman heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep een verweer gevoerd dat daarop neerkomt dat naar zijn oordeel het dossier de mogelijkheid openlaat dat die banden en compact-discs zijn vervaardigd in een land waarin die vervaardiging geen inbreuk oplevert op het auteursrecht van een ander, in welk geval een bestanddeel van art. 31a Auteurswet 1912 niet bewezen is. Aan het slot van het pleidooi heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het vervaardigen in het desbetreffende land strafbaar moet zijn gesteld.

Ook het middel berust klaarblijkelijk op laatstge-noemde opvatting. In de toelichting wordt immers de conclusie getrokken dat indien de vervaardiging van het desbetreffende voorwerp “niet in Nederland zou zijn gepleegd en mitsdien art. 31 Auteurswet niet geschonden zou kunnen zijn, vervolging slechts mogelijk is indien er sprake is van een grondfeit waarop in een ander land straf is gesteld”.

3.4. De hier van belang zijnde art. 31a en 31b van de Auteurswet 1912 zijn in die wet gevoegd bij de Wet van 3 juli 1989 (Stb.282)(verder ook: de Wet). Noch uit de tekst van genoemd art. 31a, noch uit de parlementaire geschiedenis van de Wet kan, anders dan het middel wil, worden afgeleid, dat voor strafbaarheid ingevolge art. 31a Auteurswet is vereist dat bij de vervaardiging van de desbetreffende voorwerpen niet alleen sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van een ander, maar tevens van een strafbaar feit (Kamerstukken II, 1986-1987, 19921, nr 3, blz. 11-14). Uit die geschiedenis blijkt slechts dat de wetgever bijzondere strafbepalingen heeft willen scheppen voor gedragingen als de onderhavige, die voorheen slechts onder bepaalde omstandigheden onder de helingsbepalingen van het Wetboek van Strafrecht vielen. Dat er voor een veroordeling ter zake van art. 31a Auteurswet 1912 sprake zou moeten zijn van “een strafbaar grondfeit” blijkt daaruit echter niet. Voorzo-ver het middel op die opvatting berust is het dus ong-egrond.

3.5. “s Hofs verwerping van het verweer berust in de kern daarop dat, nu vaststaat dat de videobanden en compact-discs zonder toestemming van de rechthebbende zijn ver-vaardigd, is gehandeld met inbreuk op eens anders auteursrecht. Die opvatting is echter niet juist. Indien voorwerpen als de onderhavige in een bepaald land worden vervaardigd, moet naar het aldaar geldende recht worden beoordeeld of de verveelvoudiging van het werk ongeoorloofd is en dus een inbreuk op het auteursrecht oplevert. Dat vloeit voort uit het stelsel van de Berner Conventie, dat ten aanzien van verveelvoudiging meebrengt dat de vraag of een werk bescherming verdient, moet worden beoordeeld naar het recht van het land waar de verveelvoudiging is vervaardigd (vgl. HR 27 januari 1995, NJ 1995, 669). Indien aldaar het desbetreffende werk niet of niet meer beschermd is, is de vraag of toestemming is verleend door degene die (elders) rechthebbende is, niet van belang en kan niet worden gezegd dat in aldaar vervaardigde voorwerpen als waarvan hier sprake is “met inbreuk op eens anders auteursrecht een werk is vervat”.

Met het voorgaande is in overeenstemming de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet voorzover deze inhoudt dat de strafbaarstelling van art. 31a Auteurswet 1912 niet zo ruim is dat daaron-der ook zou vallen “het voorradig hebben van een legaal exemplaar van het werk, ook al gebeurt dit met het oog op illegale verspreiding”.

3.6. Uit het voorgaande volgt dat het Hof in plaats van zich te verdiepen in de vraag van waarschijnlijkheid van vervaardiging in een land dat geen auteursrechtelijke bescherming kent en daarbij in de overwegingen te betrek-ken dat het verweer niet nader is geadstrueerd, het ver-weer heeft verworpen op ontoereikende, want van een onjuiste rechtsopvatting blijk gevende, gronden. Voorzover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden

uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen.

5. Beslissing

De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren C.J.G. Bleichrodt, G.J.M. Corstens, H.A.M. Aaftink en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 mei 2000.