Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5731

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-05-2000
Datum publicatie
16-08-2001
Zaaknummer
00413/99/M
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5731
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 261, geldigheid: 2000-05-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 287
NJ 2000, 464

Uitspraak

9 mei 2000

Strafkamer

nr. 00413/99/M

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het

Gerechtshof te Arnhem,

militaire kamer, van 10 maart

1999 alsmede tegen alle op de

terechtzitting van dit Hof

gegeven beslissingen in de

strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de militaire kamer van de Arrondissements-rechtbank te Arnhem van 10 maart 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 2. "als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden, meermalen gepleegd" en 3. "als militair opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden" veroordeeld tot drie weken militaire detentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van zestig uren, in plaats van vier weken militaire detentie. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen in voege als in het arrest ver-meld. Voorts heeft het Hof de benadeelde partijen voor het overige in de vorderingen strekkende tot vergoeding van immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Het verkorte arrest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R.P.H. de Granada, advocaat te Alkmaar, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft gecon- cludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Met het middel wordt betoogd dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlaste- gelegde feiten door het Hof nietig had moeten worden verklaard. De tenlastelegging voldoet immers niet aan de eisen van art. 261 Sv, aangezien onder het begrip aanranding in de zin van art. 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht enige vorm van dwang dient te worden begrepen en zulks ten onrechte niet in de feitelijke omschrijving van de verboden gedraging tot uitdrukking is gebracht. Voorts wordt er in het mid-del over geklaagd dat het Hof de verwerping van het desbetreffend in hoger beroep gevoerd verweer onvol-doende met redenen heeft omkleed.

3.2. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding

- voorzover in cassatie van belang B tenlastegelegd dat:

2.

"hij als militair in of omstreeks de maand februari 1997, te of nabij Ermelo, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1], die toen militair was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, (telkens) feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk genoemde [slachtoffer 1] (telkens) in haar kont te knijpen en/of zijn, verdachtes, armen om haar heupen te slaan en/of (daarbij) zijn, verdachtes, handen op haar billen te leggen en/of (daarbij) zijn, verdachtes vingers in haar bilnaad te drukken en/of boven op haar te gaan liggen en/of (daarbij) op en neer gaande bewegingen met zijn, verdachtes, lichaam te maken en/of (daarbij) met zijn, verdachtes, geslachtsdeel tegen haar billen te stoten”.

3.

“hij als militair in of omstreeks de maand maart 1997, te of nabij Ermelo, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 2], die toen militair was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk genoemde [slachtoffer 2] om haar middel te omarmen en/of bij haar arm vast te pakken en/of aan haar arm te trekken en/of (met zijn hand) tegen haar billen te drukken en/of haar wang te zoenen en/of haar hand in de richting van zijn, verdachtes, kruis te brengen".

3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 24 februari 1999 is door de raadsman van de verdachte aldaar een beroep gedaan op de nietigheid van de inleidende dagvaarding ten aanzien van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten. De verdediging heeft zich daarbij mede op hetzelfde standpunt gesteld als in cassatie naar voren is gebracht.

3.4. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

"Naar het oordeel van het hof dient het namens de verdachte gedane beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde te worden verworpen. Immers bevat het daarin gestelde telkens een duidelijke en begrijpelijke omschrijving van de aan de verdachte "verweten gedragingen en voldoet de dagvaarding ook telkens aan de vereisten gesteld in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering".

3.5. Art. 140 van het Wetboek van Militair Strafrecht (WvMS), waarop de tenlastelegging onder 2 en 3 is toegesneden, luidt als volgt:

"Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft de militair die opzettelijk een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, feitelijk bedreigt met geweld of feitelijk aanrandt".

3.6. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.2 is weergegeven duidt het begrip "feitelijke aanranding" volgens de wetsgeschiedenis van art. 140 WvMS op alle in geweld bestaande misdrijven tegen de persoon.

3.7. Het oordeel van het Hof dat de tenlastelegging een duidelijke en begrijpelijke omschrijving van de aan de verdachte verweten gedragingen bevat is juist. Dat oordeel is ook toereikend gemotiveerd. Immers de tenlastegelegde gedragingen zijn voldoende feitelijk omschreven en kunnen in het licht van het totale complex van verweten gedragingen ieder voor zich een meer of minder lichte vorm van geweld opleveren, ook in aanmerking genomen de maatschappelijke ontwikkelingen ter zake van de aanvaard-baarheid van dit soort handelingen.

3.8. Het middel faalt derhalve.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Het Hof heeft de vorderingen van de beide benadeelde partijen toegewezen tot ieder / 600,-, met veroordeling van de verdachte in de kosten van rechtsbijstand van de benadeelden, voor ieder van hen begroot op / 1.156,73 en de vorderingen voor het meerdere niet-ontvankelijk verklaard omdat zij zich niet lenen voor behandeling in het strafgeding. Daarnaast heeft het Hof aan de verdachte de verplichting opgelegd om aan de Staat ten behoeve van ieder van die beide benadeelde partijen te betalen een bedrag van / 1.756,73.

4.2. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51a, eerste lid, Sv komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken (vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 801). Dat brengt mee dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel.

4.3. Het Hof heeft klaarblijkelijk en met miskenning van het onder 4.2 overwogene mede de kosten van rechtsbijstand van de benadeelden in aanmerking genomen bij de oplegging van de in art. 36f, eerste lid, Sr voorziene maatregel ten behoeve van de beide benadeelde partijen. Nu daarvoor geen nader feitelijk onderzoek nodig is kan de Hoge Raad deze misslag zelf herstellen.

5. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarin het bedrag, dat de veroordeelde verplicht is aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], is bepaald op / 1.156,73;

Bepaalt het bedrag dat de veroordeelde verplicht is aan de Staat te betalen ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], telkens op / 600,-;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 mei 2000.