Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA5130

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34.878
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 34.878

5 januari 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 november 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.

1. Aanslag navorderingsaanslag en geding voor het Hof

Nadat aan belanghebbende voor het jaar 1994 aanvankelijk een aanslag in de vermogensbelasting was opgelegd naar een vermogen van f 248.000,--, is haar vervolgens voor dat jaar in die belasting een navorderingsaanslag opgelegd naar een vermogen van f 395.000,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting waarvan bij het opleggen van de aanslag een kwijtschelding van 75 percent is verleend.

Op het door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd en het kwijtscheldingsbesluit bevestigd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur gedeeltelijk vernietigd en de aanslag verminderd met het daarin begrepen bedrag van de verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

Bij brief van 21 oktober 1999 heeft de gemachtigde van belanghebbende enige bescheiden betreffende de verzending per fax van stukken van zijn kantoor aan de griffier van de Hoge Raad gezonden.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

3. 1. Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zulks vereist, niet de gronden van het beroep. Bij aangetekende brief van 22 december 1998, heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken na de dagtekening van deze brief te herstellen. De termijn voor het herstel van dit verzuim eindigde op 2 februari 1999.

3.2. Op 11 februari 1999, derhalve na genoemde datum, is van de gemachtigde van belanghebbende een aanvulling op het beroepschrift in cassatie ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Nu bovenaan dat geschrift "faxbericht 2 februari 1999" staat, heeft de griffier van de Hoge Raad bij de gemachtigde geïnformeerd naar een mogelijke verzending per fax vóór 11 februari 1999. Bij brief van 21 oktober 1999 heeft de gemachtigde een verzendrapport en een journaal van zijn faxapparaat aan de Hoge Raad gezonden. Op beide staat vermeld dat op 2 februari 1999 een stuk - overigens van drie bladzijden, niet van vier zoals het op 11 februari 1999 per post ontvangen geschrift - naar een van de faxnummers van de Hoge Raad is verzonden. Uit een ter griffie ingesteld onderzoek blijkt echter dat noch op dat nummer noch op een ander faxnummer van de Hoge Raad op of omstreeks 2 februari 1999 een van de gemachtigde afkomstig stuk per fax is ontvangen.

3.3. Nu herstel van het verzuim derhalve niet voor of op genoemde datum heeft plaatsgevonden en de Hoge Raad ook ambtshalve niet is gebleken van een grond waarop 's Hofs uitspraak zou behoren te worden vernietigd, zal de Hoge Raad, gezien het bepaalde in artikel 6:6 van voormelde wet, belanghebbende in het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep.

Dit arrest is op 5 januari 2000 vastgesteld door de raadsheer Pos als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.