Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4947

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/034HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1020, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1064, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1065, geldigheid: 2000-02-25
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 1066, geldigheid: 2000-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 129
NJ 2000, 508
RvdW 2000, 69

Uitspraak

25 februari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/034HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

BENETTON INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr H.A. Groen,

t e g e n

1. de rechtspersoon naar vreemd recht ECO SWISS CHINA TIME LTD,

gevestigd te Hong Kong, Volksrepubliek China,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr D. Rijpma,

en

2. de rechtspersoon naar vreemd recht BULOVA CORPORATION,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 26 augustus 1997 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Benetton - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de (verdere) tenuitvoerlegging van het gedeeltelijk arbitraal eindvonnis van 27 juni 1997 (hierna: het PFA) te schorsen, totdat op de door Benetton op 25 augustus 1997 aanhangig gemaakte vordering tot vernietiging van het PFA onherroepelijk zal zijn beslist.

Verweersters in cassatie - verder te noemen: Eco Swiss en Bulova - hebben het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft na een tussenbeschikking van 8 januari 1998 bij eindbeschikking van 19 maart 1998 de tenuitvoerlegging van het PFA geschorst en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen beide beschikkingen hebben Eco Swiss en Bulova respectievelijk bij verzoekschriften van 17 april 1998 en 19 mei 1998 hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Benetton heeft bij verweerschrift voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en is ook harerzijds, voorwaardelijk - voor het geval het Hof de beslissing tot schorsing van de Rechtbank in het principaal beroep zou vernietigen - in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van de Rechtbank van 8 januari 1998. Het Hof heeft de appellen gezamenlijk behandeld.

Bij beschikking van 17 december 1998 heeft het Hof de bestreden beschikkingen van de Rechtbank vernietigd, en opnieuw rechtdoende het verzoek van Benetton afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft Benetton beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Eco Swiss heeft verzocht het beroep te verwerpen en Bulova is in cassatie niet verschenen.

De Advocaat-Generaal Bakels heeft bij tussenconclusie geconcludeerd dat partijen in de gelegenheid worden gesteld schriftelijk uiteen te zetten welke invloed het arrest van het Hof van Justitie EG van 1 juni 1999 voor de onderhavige zaak zou hebben.

Benetton en Eco Swiss hebben de zaak schriftelijk doen toelichten door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van Benetton in de kosten van het geding in cassatie.

De advocaat van Benetton heeft bij brief van 10 januari 2000 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels onder 1.1 tot en met 1.21.

3.2.1 Het Hof heeft in rov. 8 de klacht van Benetton, dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehou-den, verworpen op de grond dat de door Benetton bedoelde schendingen procesregels betreffen, die niet door partijen zijn vastgesteld, maar die arbiters zelf onderling hebben afgesproken.

3.2.2 Onderdeel 1 is hiertegen gericht en betoogt dat ook wanneer het gaat om schending van procesregels die niet door partijen zijn vastgesteld, maar die arbiters zelf onderling hebben afgesproken, zich het geval kan voordoen dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, met name wanneer binnen de eigen kring van arbi-ters het beginsel van hoor en wederhoor niet in acht is genomen.

3.2.3 Het onderdeel faalt. Waar het Hof spreekt van procesregels die niet door partijen zijn vastgesteld, heeft het het oog op procesregels die niet zijn begrepen in de door partijen aan het scheidsgerecht gegeven opdracht. Hiervan uitgaande heeft het Hof terecht de voormelde klacht van Benetton verworpen. Hieraan doet niet af hetgeen het onderdeel betoogt omtrent het beginsel van hoor en weder-hoor, reeds omdat dit beginsel betrekking heeft op partijen en niet op "de eigen kring van arbiters".

3.3 Onderdeel 2 richt motiveringsklachten tegen rov. 9.2 en 9.3, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het scheidsge-recht zijn door het Hof vermelde oordelen van voldoende motivering heeft voorzien.

Volgens art. 1065 lid 1, aanhef en onder d, Rv. kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. Ver-nieti-ging op deze grond is slechts mogelijk wanneer motivering ontbreekt, en is dus niet mogelijk in gevallen van ondeug-delijke moti-ve-ring. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om op deze vernie-tigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toet-sen.

Hierop stuiten de klachten af, nu het Hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht zijn oordelen heeft gemotiveerd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en be-hoefde geen nadere motivering.

3.4 Het Hof heeft in rov. 5.4-5.8 onderzocht of de afwijking door arbiters van de door hen zelf vastgestel-de - hiervoor in 3.2 aangeduide - procesregels meebrengt dat het arbitraal vonnis in strijd met de openbare orde is. Het Hof is tot het oordeel gekomen dat de feiten geen schending van fundamentele beginselen van procesrecht opleveren, zodat de wijze waarop het vonnis is totstandgekomen niet in strijd is met de openbare orde. Hiertegen keert zich onderdeel 3 met een aantal klachten.

Het bestreden oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het is zozeer verweven met waar-deringen van feitelijke aard, dat het voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 3 faalt derhalve.

3.5 Onderdeel 4 voert twee motiveringsklachten aan tegen rov. 5.9.

Subonderdeel 4.1 klaagt dat onduidelijk is wat het Hof in rov. 5.9 bedoelt met "dezelfde reden" waarom het betoog van Benetton niet zou opgaan. De klacht faalt omdat het Hof hiermee klaarblijkelijk doelt op de redenen die zijn ge-noemd in de rov. 5.7-5.8.

Subonderdeel 4.2 klaagt dat het Hof in rov. 5.9 geheel is voorbijgegaan aan het door Benetton gevoerde betoog betreffende het gevaar van tegenstrijdige beslissin-gen in het geval dat een of meer van de door de Hoge Raad gestelde vragen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de door Benetton verdedigde zin zouden worden beant-woord.

Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft in rov. 11.3-11.5 aan-dacht besteed aan de mogelijke processuele gevolgen van een bij wege van veronderstelling aangenomen voor Benetton gunstig luidend antwoord van het Hof van Justitie op be-doelde vragen. In deze rov. ligt besloten dat naar het voorlopig oordeel van het Hof geen gevaar voor tegenstrij-dige uitspraken bestaat.

3.6 Onderdeel 5 stelt dat gegrondbevinding van een of meer der voorafgaande klachten meebrengt dat 's Hofs rov. 12 en 13 niet in stand kunnen blijven.

Nu geen van de aangevoerde klachten doel treft, kan ook dit onderdeel niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Benetton in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Eco Swiss begroot op ƒ 525,-- aan verschotten en ƒ 2.500,-- voor salaris en aan de zijde van Bulova op nihil.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Roelvink als voorzitter, de vice-president Mijnssen, en de raadsheren Neleman, Heemskerk en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Savornin Lohman op 25 februari 2000.