Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4922

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2000
Datum publicatie
26-02-2002
Zaaknummer
929-98-V
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2000-02-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2001, 1

Uitspraak

22 februari 2000

Strafkamer

nr. 929-98-V

CJIB 14738134

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen de beslissing van de

Kantonrechter te Lelystad

van 13 oktober 1998

betreffende:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], voor wie als gemachtigde optreedt mr H.A. APPELO, advocaat te Lelystad.

1. De beslissing van de Kantonrechter

De Kantonrechter heeft het verzoek om toepassing van artikel 26a WAHV (de Hoge Raad leest: van art. 26, zesde lid, in verbinding met art. 13b WAHV) afgewezen.

De beslissing van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Mr Appelo heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de Kantonrechter beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Ilsink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Kantongerecht te Lelystad teneinde met in achtneming van het arrest van de Hoge Raad opnieuw te worden afgedaan. De conclusie is aan dit arrest aangehecht.

3. Beoordeling van de bestreden beslissing

3.1. De procesgang in deze zaak is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.3.

3.2. Bij de beoordeling van de in cassatie opgeworpen klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

3.2.1. Het gaat in deze zaak om een verzoek van de betrokkene tot kostenveroordeling op de voet van art. 26, zesde lid, in verbinding met de artikelen 13a en 13b WAHV.

Ingevolge die bepalingen geldt ten aanzien van een zodanig verzoek het volgende. Het Besluit proceskosten bestuursrecht, hierna het Besluit, is van overeenkomstige toepassing, terwijl in geval van een veroordeling van de officier van justitie in de kosten ten behoeve van de indiener van het verzetschrift aan wie ter zake van het verzet een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, het bedrag van de kosten door de Staat der Nederlanden aan de griffier van het kantongerecht wordt betaald, met overeenkosmtige toepassing van art. 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

3.2.2. Het Besluit bevat in art. 1 een limitatieve opsomming van de kosten waarop een veroordeling als in deze zaak verzocht betrekking kan hebben.

Daaronder vallen ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Ingevolge art. 2 in verbinding met de bijlage bij het Besluit wordt het (forfaitaire) bedrag van die kosten berekend op basis van aan de verrichte proceshandelingen toe te kennen punten en de toepasselijke wegingsfactoren.

In die bijlage wordt als een zodanige proceshandeling onder meer het beroepschrift/verweerschrift genoemd en wordt daaraan 1 punt toegekend. De waarde daarvan is ingevolge die bijlage onder B f 710,- terwijl ingevolge die bijlage onder C dat bedrag, al naar gelang de zwaarte van de zaak, met factoren die variƫren van 0,25 tot 2 kan worden vermenigvuldigd.

3.2.3. Art 57b Rb luidt zoals is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15.

3.2.4. Uit het hiervoor weergegeven samenstel van bepalingen vloeit voort dat indien in een geval als het onderhavige de kantonrechter oordeelt dat er aanleiding bestaat tot kostenveroordeling ter zake van de door de betrokkene gemaakte kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, hij de officier van justitie dient te veroordelen tot betaling van die kosten aan de griffier.

Na voldoening van die kosten door de Staat der Nederlanden dient de griffier vervolgens de betrokkene zoveel mogelijk schadeloos te stellen voor de door hem betaalde eigen bijdrage, waarna met het eventuele resterende bedrag dient te worden gehandeld als is voorgeschreven in de laatste volzin van art. 57b, tweede lid, Rv.

3.3. In cassatie klaagt de betrokkene allereerst dat de Kantonrechter het verzoek om kostenveroordeling ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft afgewezen. Die klacht is gegrond.

De Kantonrechter heeft geoordeeld dat de omstan- digheid dat de zogenoemde eigen bijdrage niet is vermeld in art. 1 van het Besluit meebrengt dat het verzoek tot kostenveroordeling niet kan worden toegewezen. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een procedure waarin een verzetschrift is ingediend, hetgeen met het indienen van een beroepschrift/verweerschrift als bedoeld in de bijlage bij het Besluit moet worden gelijkgesteld, geeft dat oordeel, in het licht van het hiervoor onder 3.2 weergegeven samenstel van bepalingen, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

3.4. De bestreden beslissing moet dus worden vernietigd, zodat de overige in cassatie opgeworpen klachten geen bespreking behoeven.

3.5. Het beroepschrift in cassatie behelst nog het verzoek om te bepalen dat (eventueel) door de betrokkene betaalde bedragen ter zake van zekerheidstelling en griffierecht, zowel in verband met de procedure in feitelijke aanleg als in de cassatieprocedure zullen worden terugbetaald. Voor toewijzing van die verzoeken is geen plaats op grond van het navolgende. Noch ter zake van een verzetprocedure, noch ter zake van een daarmee samenhangende procedure als de onderhavige is in feitelijke aanleg zekerheidstelling vereist. De terugbetaling van het door de betrokkene ter zake van de verzetprocedure in feitelijke aanleg betaalde griffierecht vloeit uit de wet voort. Art. 36, tweede lid, WAHV bepaalt immers dat in een geval als het onderhavige het door de betrokkene betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed door de officier van justitie. Ter zake van een procedure als de onderhavige, strekkende tot kostenveroordeling, is noch in feitelijke aanleg noch in cassatie griffierecht verschuldigd, terwijl voorts de omstandigheid dat het dwangbevel is ingetrokken meebrengt dat voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep geen bedrag aan zekerheidstelling behoeft te worden voldaan.

3.6. Het verzoek om kostenveroordeling ter zake van de in verband met de cassatieprocedure gemaakte kosten zal worden toegewezen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het Kantongerecht te Lelystad ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

Veroordeelt de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden

in de door de betrokkene in verband met de cassatieprocedure gemaakte kosten tot

een bedrag van f 710,-, geheel toe te rekenen aan de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op de voet van art. 57b Rv te voldoen aan de Griffier van de Hoge Raad.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Verboon, en uitgesproken op 22 februari 2000.