Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4921

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2000
Datum publicatie
26-02-2002
Zaaknummer
948-98-V
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit proceskosten bestuursrecht 1, geldigheid: 2000-02-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2000, 147

Uitspraak

22 februari 2000

Strafkamer

nr. 948-98-V

CJIB 16810603

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen de beslissingen van

de Kantonrechter te Amsterdam

van 19 maart 1998 en 2 oktober

1998 betreffende:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats].

1. De beslissingen van de Kantonrechter

De Kantonrechter heeft bij beslissing van 19 maart 1998 het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de Officier van Justitie gegrond verklaard met bepaling dat het bedrag van de door de betrokkene gestelde zekerheid aan hem dient te worden gerestitueerd.

Bij beslissing van 2 oktober 1998 heeft de Kantonrechter het verzoek tot kostenveroordeling gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.

De beslissingen van de Kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. Om proceseconomische redenen merkt de Hoge Raad de beslissing van 19 maart 1998 aan als een tussen-beslissing en de beslissing van 2 oktober 1998 als de in deze zaak gegeven eindbeslissing.

2. Geding in cassatie

De betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld. Het beroep richt zich uitsluitend tegen de door de Kantonrechter op het verzoek tot kostenveroordeling gegeven beslissing van 2 oktober 1998. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Ilsink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de Kantonrechter van 2 oktober 1998 en tot terugwijzing van de zaak naar het Kantongerecht te Amsterdam. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van de beslissing van 2 oktober 1998

3.1. Ingevolge art. 13a WAHV kan de kantonrechter een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het kantongerecht redelijkerwijs heeft moeten maken. Die bepaling verklaart het Besluit proceskosten bestuurs- recht (hierna: het Besluit) van overeenkomstige toepassing. Het Besluit behelst in art. 1 een limitatieve opsomming van de kosten waarop een dergelijke veroordeling betrekking kan hebben.

Daartoe behoren de kosten van door de een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de verletkosten van een partij. Die kosten zijn in het Besluit forfaitair bepaald per proceshandeling. Als één van die proceshandelingen wordt in de bijlage bij het Besluit onder A, onder 1 genoemde "schriftelijke uiteenzetting".

3.2. Tot de stukken van het geding behoort een brief van de betrokkene van 30 juli 1998 die inhoudt hetgeen is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.6 en waaraan een opgave is gehecht van het bedrag van de kosten, te weten. f 700,- aan verletkosten (10 uur verletkosten à f 70,-) en f 470,- aan kosten voor juridisch advies.

3.3. De Kantonrechter heeft de kosten ter zake van rechtsbijstand afgewezen op grond van zijn oordeel dat die kosten slechts worden vergoed indien deze het opstellen van een beroepschrift betreffen. Dat oordeel geeft geen inzicht in zijn gedachtengang. Indien hij heeft geoordeeld dat een veroordeling ter zake van dergelijke kosten slechts mogelijk is indien degene die beroepsmatige bijstand heeft verleend het desbetreffende processtuk zelf heeft opgesteld, heeft hij miskend dat, naar volgt uit hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.2 uit de Nota van Toelichting op het Besluit is weergegeven, het Besluit het oog heeft op iedere vorm van rechts- bijstand. Veroordeling in daarop betrekking hebbende kosten is derhalve ook mogelijk indien die bijstand is beperkt geweest tot advisering in verband met een door de betrokkene zelf opgesteld processtuk.

Maar indien de Kantonrechter daaraan niet heeft voorbijgezien maar heeft geoordeeld dat de desbetreffende rechtsbijstand in deze zaak niet is verleend ter zake van het indienen van een processtuk is zijn oordeel onjuist omdat de op 27 mei 1998 ter Griffie van het Kantongerecht ingekomen brief van de betrokkene met betrekking tot zijn, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Kantongerecht van 19 maart 1998 aldaar gedane maar niet nader toegelichte, verzoek tot kostenveroordeling - in verband waarmee de kosten onmiskenbaar zijn gemaakt - bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een schriftelijke uiteenzetting in de zin van de bijlage bij het Besluit.

Vanwege dit motiveringsgebrek kan de beslissing van 2 oktober 1998 niet in stand blijven.

3.4. Ook om een andere reden moet die beslissing worden vernietigd. Het oordeel van de Kantonrechter dat een kostenveroordeling op de voet van art. 13a WAHV voor wat verletkosten betreft slechts betrekking kan hebben op de tijd die de terechtzitting in beslag neemt, berust, naar in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 en 3.2 is uiteengezet op een te beperkte uitleg van het Besluit.

Gelet op het in die passages van de conclusie weergegeven gedeelte van de Nota van Toelichting op het Besluit brengt redelijke wetstoepassing mee dat onder verletkosten in de zin van het Besluit ook zijn begrepen de kosten van het tijdverzuim ter zake van de inzage door de betrokkene van de op het beroep betrekking hebbende stukken ter griffie van het kantongerecht op de voet van art. 11, vierde lid, WAHV en ter zake van de daarmee gemoeide reistijd, alsmede van de reistijd die is gemoeid met het bijwonen van

de terechtzitting waarop het bij het kantongerecht ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt behandeld.

3.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de beslissing van 2 oktober 1998;

Wijst de zaak terug naar het Kantongerecht te Amsterdam opdat de zaak voor wat betreft het verzoek tot kostenveroordeling opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, Koster en Aaftink, in bijzijn van de waarnemend-griffier Verboon, en uitgesproken op 22 februari 2000.