Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4919

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
15-08-2001
Zaaknummer
34117
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4919
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 19, geldigheid: 2000-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/165
BNB 2000/239
FED 2000/115
WFR 2000/349, 1
V-N 2000/13.3
Ruseler annotatie in NTFR 2000/337

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 34117

23 februari 2000

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 17 december 1997 betreffende het bedrag dat door haar als accijns op aangifte is voldaan over het vierde kwartaal 1995.

Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft op 31 januari 1996 aangifte over het vierde kwartaal 1995 gedaan van ƒ e,-- aan accijns. Tegen het op aangifte voldane bedrag heeft zij bezwaar gemaakt bij de Inspecteur en verzocht om gedeeltelijke teruggaaf van het op aangifte voldane bedrag, waarna de Inspecteur bij uitspraak heeft besloten het bezwaar af te wijzen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Belanghebbende heeft de zaak mondeling doen toelichten door mr J.J.M. Hertoghs, advocaat te Breda.

De Advocaat-Generaal Van den Berge heeft op 13 september 1999 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraken van het Hof en van de Inspecteur voorzover deze betrekking hebben op de teruggaaf van ƒ j,-- en tot het gelasten van teruggaaf van het op aangifte te veel voldane bedrag van ƒ j,--.

Belanghebbende heeft een schriftelijke reactie op die conclusie gegeven.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende produceert in Nederland sigaretten. Zij is vergunninghouder van een accijnsgoede-renplaats. In haar aangifte over het vierde kwartaal 1995 van ƒ e,-- aan accijns op sigaretten nam belanghebbende voor een bedrag van ƒ j,-- accijns op betreffende 11 miljoen sigaretten die op 25 maart 1994 waren overgebracht naar het vriesveem C B.V. te Q en daaruit in de nacht van 26 op 27 maart 1994 zijn ontvreemd.

3.2. Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende met betrekking tot haar uitslagen gedurende 14 of 28 dagen na de door de Bijstellings-regeling accijns van sigaretten 1995 (Stcrt. 1995, 232) per 1 december 1995 teweeggebrachte tariefs-verhoging het tot 1 december 1995 geldende accijns-tarief mocht hanteren. Het Hof heeft daaromtrent geoordeeld dat belanghebbende niet in redelijkheid kan volhouden dat zij aan omstreeks 1 oktober 1994 gedane uitlatingen de indruk heeft kunnen ontlenen dat ook voor de accijnsverhoging per 1 december 1995 een overgangsregeling zou worden getroffen. Daartoe heeft het Hof overwogen dat reeds het uitblijven van een regeling voor wat betreft de verhoging per 1 oktober 1994, terwijl eerdere regelingen steeds vóór de verhogingsdatum waren gepubliceerd, zo’n eventuele indruk ieder realiteitsgehalte zou hebben moeten ontnemen, en dat de minister tot het treffen van een overgangsregeling niet verplicht is.

Middel I keert zich tegen dat oordeel met de klacht dat het niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. In ’s Hofs overwegingen ligt besloten het oordeel dat de omstreeks 1 oktober 1994 door een medewerker van het Ministerie van Financiën gedane uitlatingen door belanghebbende anders moesten worden bezien nadat een overgangsregeling voor de tariefsverhoging per 1 oktober 1994 uitbleef, zodat zij vervolgens aan die uitlatingen geen vertrouwen mocht ontlenen met betrekking tot de totstandkoming van een overgangs-regeling voor een eventuele volgende tariefsver-hoging. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering naast het in onderdeel 6.2.2 van ’s Hofs uitspraak overwogene.

Middel I kan derhalve niet slagen.

3.3. Middel II komt op tegen het oordeel van het Hof dat de omstandigheid dat de in de aangifte over het vierde kwartaal 1995 begrepen accijns ter zake van de ontvreemde sigaretten in feite betrekking had op het eerste kwartaal 1994, niet behoeft te leiden tot teruggaaf van die belasting. Het middel treft doel. De in artikel 53, lid 1, van de Wet op de accijns opgenomen bepaling dat de in een tijdvak verschuldigd geworden accijns op aangifte moet worden voldaan, laat geen plaats voor het in een aangifte over een bepaald tijdvak opnemen van accijns die niet in dat tijdvak verschuldigd is geworden. Het Hof had derhalve de op het vierde kwartaal 1995 betrekking hebbende accijns moeten teruggeven.

3.4. Gelet op het hiervóór in 3.3 overwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. De overige middelen behoeven geen behandeling.

Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof.

Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede die van de Inspecteur;

verleent een teruggaaf van accijns van ƒ j,--;

gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 315,--, alsmede het bij het Hof gestorte griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van ƒ 75,--, derhalve in totaal ƒ 390,--;

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 5.680,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 3.550,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst aan de Staat als de rechts-persoon die de bij het Hof gemaakte kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 23 februari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Brunschot, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.