Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2000
Datum publicatie
29-08-2001
Zaaknummer
34775
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4899
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 13, geldigheid: 2000-02-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/298 met annotatie van Van Nispen tot Sevenaer
FED 2000/477
BNB 2000/216
FED 2000/117
WFR 2000/349, 3
V-N 2000/13.26

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 34775

23 februari 2000

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 9 september 1998 betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 137.840,--, welke aan-slag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak heeft bevestigd. De uit-spraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

De Advocaat-Generaal Van Kalmthout heeft op 17 september 1999 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is opgericht in januari 1989. Haar feitelijke werkzaamheden bestonden in het onderhavige jaar onder meer uit de handel in aandelenvennoot-schappen.

Op 18 juli 1989 heeft belanghebbende alle aandelen in A BV gekocht. De nominale waarde van de aandelen was ƒ 50.000,--. De door belanghebbende verschuldigde koopsom bedroeg ƒ 230.826,--. Een deel daarvan ad ƒ 223.826,-- heeft belanghebbende voldaan door de overname van een schuld aan A BV van gelijke grootte. Het restant van ƒ 7.000,-- heeft zij in geld betaald.

A BV had een dochtervennootschap waarmee zij voor de heffing van de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid vormde. De voorwaarden waaronder de fiscale eenheid is toegestaan, bevatten niet een bepaling overeenkomend met de zeventiende standaard-voorwaarde welke is vermeld in (de bijlage bij) de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 20 november 1986, nr. 286-882, BNB 1987/42, en in latere resoluties over de fiscale eenheid.

Geconsolideerd bezien hadden A BV en haar dochtervennootschap in de periode van 18 juli 1989 tot 16 april 1993 geen andere bezittingen dan een vordering in rekening-courant. De schuldenaar was aanvankelijk de verkoper van de aandelen A BV; na de hiervóór vermelde schuldovername was belanghebbende de schuldenaar.

Belanghebbende heeft op 16 april 1993 de aandelen A BV weer verkocht. Kort daarvoor had zij A BV een dividend doen uitkeren ten bedrage van ƒ 180.826,--. Het dividend is in de tussen hen bestaande rekening-courant geboekt en is aldus verrekend.

Als gevolg van de dividenduitkering kwam het eigen vermogen van A BV op ƒ 50.000,-- en was het gelijk aan haar nominale geplaatste aandelenkapitaal.

De verkoopprijs die belanghebbende voor de aande-len A BV ontving, was ƒ 200.000,--. Daarvan heeft zij ƒ 51.000,-- doorbetaald aan een derde, als diens aandeel in de transactiewinst.

Het totale voordeel dat belanghebbende met de aandelen A BV heeft behaald komt uit op ƒ 99.000,--: de verkoopprijs van ƒ 200.000,-- vermeerderd met het dividend van ƒ 180.826,--, en verminderd met de aankoopprijs van ƒ 230.826,-- en de doorbetaling van ƒ 51.000,--.

Gedurende de tijd dat de aandelen A BV in het bezit van belanghebbende zijn geweest, hebben A BV en haar dochtervennootschap geen activiteiten uitge-oefend.

Bij de vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur het hiervóór vermelde voordeel van ƒ 99.000,-- tot de belastbare winst van belanghebbende gerekend, nu naar zijn oordeel met betrekking tot dit voordeel de deelnemingsvrijstelling niet van toepas-sing is, omdat belanghebbende de aandelen A BV heeft gehouden als voorraad, als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hier-na: de Wet).

3.2. Het Hof heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat de aandelen A BV bij belanghebbende voor de verkoop en derhalve als bestemd voor de omzet aanwezig waren.

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat onder de hier aan de orde zijnde omstandigheden, op grond van de op zichzelf duidelijke wettekst in het licht van de algemene strekking van de deelnemingsvrijstelling, en gelet op de strekking van de hier van toepassing zijnde uitsluitingsbepaling, de vrijstelling niet van toepassing is. Tegen laatstvermeld oordeel keren zich de middelen met het betoog dat slechts aandelen in geldzak-BV's als voorraad kunnen worden gehouden in de zin van art. 13, lid 2, van de Wet en dat A BV niet als een dergelijke geldzak-BV kan worden aangemerkt.

3.3. Het begrip voorraad is als zodanig niet eenduidig. Uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 13, lid 2 van de Wet, zoals weergegeven in de onderdelen 3 tot en met 11 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal, blijkt dat onder aandelen die als voorraad worden gehouden, als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Wet, moeten worden verstaan aandelen die door de belastingplichtige zijn bestemd voor de verkoop en behoren tot diens vlottende kapitaal, en betrekking hebben op vennootschappen welke geen onderneming in materiële zin (meer) drijven en welke geen activa hebben, of (nagenoeg) geen andere activa dan liquide middelen en/of bezittingen die onverwijld zonder noemenswaardig verlies in liquide middelen kunnen worden omgezet. Nu gedurende de tijd dat de aandelen A BV in het bezit van belanghebbende zijn geweest, A BV en haar dochtervennootschap geen activiteiten hebben uitgeoefend, geconsolideerd bezien A BV en haar dochtervennootschap in die tijd geen andere bezittingen hadden dan een vordering in rekening-courant en voorts de aandelen A BV bij belanghebbende voor de verkoop en derhalve als bestemd voor de omzet aanwezig waren, heeft belanghebbende de aandelen A BV gehouden als voorraad als bedoeld in artikel 13, lid 2, van de Wet. Hieruit volgt dat het oordeel van het Hof juist is, wat er zij van de door het Hof gebezigde gronden.

3.4. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat niet aannemelijk is gemaakt dat in de periode van 18 juli 1989 tot 28 april 1990 (een deel van) het hiervóór in 3.1 vermelde voordeel is ontstaan. Dit oordeel is van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden. Voor-zover de middelen aanvoeren dat, anders dan het Hof heeft aangenomen, belanghebbende de aandelen A BV niet heeft gekocht tegen de destijds geldende waarde in het economische verkeer, berusten zij op feiten, waarvan uit de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding niet blijkt dat daarop ook reeds voor het Hof een beroep is gedaan, zodat daarop geen acht kan worden geslagen, omdat zulks een onderzoek van feite-lijke aard zou vergen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Bij het vorenoverwogene laat de Hoge Raad in het midden of de in de middelen bepleite compartimentering geboden is.

3.5. De middelen kunnen mitsdien niet tot cassatie leiden. Zij behoeven verder geen behande-ling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 23 februari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen, als voorzitter, en de raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.