Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4879

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/073HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4879
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 113
NJ 2000, 308
RvdW 2000, 62
FJR 2000, 54

Uitspraak

18 februari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/073HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen,

t e g e n

[De man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 5 januari 1998 ter griffie van de Rechtbank te Arnhem ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht om, met wijziging van het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 juli 1993 en van het vonnis van de Rechtbank te Breda van 1 september 1992, de door hem te betalen bijdragen in het levensonderhoud van verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - en in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen twee minderjarige kinderen, met ingang van 1 december 1997 nader vast te stellen op nihil, dan wel op dusdanig verminderde bedragen en met ingang van een dusdanige datum, als de Rechtbank in goede justitie mocht vermenen te behoren.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 1998 het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch in die zin gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 december 1997 nader werd gesteld op nihil, en voorts het vonnis van de Rechtbank te Breda in die zin gewijzigd dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen met ingang van 1 december 1997 nader werd gesteld op ƒ 130,-- en met ingang van 1 juni 1998 nader werd gesteld op ƒ 180,--, een en ander telkens per kind en per maand en met afwijzing van het meer of anders verzochte.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem, en hij heeft verzocht deze beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, onder meer te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met ingang van 1 december 1997 nader wordt vastgesteld op nihil, dan wel op een dusdanig verminderd bedrag, als het Hof in goede justitie mocht vermenen te behoren.

De vrouw heeft dit verzoek bestreden en heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld, met het verzoek de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de man te veroordelen om met ingang van 1 december 1997 ƒ 250,-- per kind per maand bij te dragen in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen.

Bij beschikking van 2 februari 1999 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 7 juli 1998 vernietigd, voorzover daarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen nader was vastgesteld en, in zoverre opnieuw beschikkende, met wijziging van het vonnis van de Rechtbank te Breda van 1 september 1992, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen over de periode 1 december 1997 tot 1 januari 1999 vastgesteld op nihil en met ingang van 1 januari 1999 vastgesteld op een bedrag van ƒ 25,-- per kind per maand, met afwijzing van het meer of anders verzochte.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man is niet verschenen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn met elkander gehuwd geweest. Bij vonnis van 1 september 1992, waarbij echtscheiding tussen hen werd uitgesproken, werd voorts onder meer nog bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun twee minderjarige kinderen, te weten de op [geboortedatum] geboren [de zoon] en de op [geboortedatum] geboren [de zoon 2], een bedrag van ƒ 250,-- per maand en per kind zal voldoen. Daarnaast werd aan de man nog een thans niet meer van belang zijnde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw opgelegd.

3.2 Nadat genoemde bijdrage ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 1998 tot ƒ 284,50 per maand en per kind was verhoogd, heeft de man bij het hiervóór onder 1 vermelde verzoekschrift onder andere verzocht deze bijdrage met ingang van 1 december 1997 op nihil te stellen. Als wijziging van omstandigheden heeft de man daarbij aangevoerd dat hij vanaf 19 september 1997, na een detentie van ruim acht jaar, in vrijheid was gesteld en een huurwoning had betrokken en dat hij, daarop aansluitend, vanaf 1 december 1997 als partner was gaan samenwonen met [de nieuwe vriendin van de man] en haar twee minderjarige kinderen uit een eerder huwelijk, welke vrouw tot dat moment een bijstandsuitkering ontving. In dit verband heeft de man, die een WAO-uitkering genoot, voorts onder meer nog een beroep gedaan op twee schulden van genoemde vrouw, namelijk een schuld aan de Gemeente Heumen, die op 1 december 1997 nog ƒ 8.767,-- bedroeg en met ƒ 400,-- per maand moest worden afgelost, en een schuld aan de Haagse Gemeentelijke Kredietbank, waarop maandelijks een bedrag van ƒ 112,70 moest worden voldaan.

3.3 Nadat de Rechtbank naar aanleiding van dit verzoek de bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 december 1997 op ƒ 130,-- per maand en per kind en met ingang van 1 juni 1998 op ƒ 180,-- per maand en per kind had gesteld en daarbij ten aanzien van de hiervóór in 3.2 aan het slot genoemde schulden van de partner van de man had overwogen dat zij op dit punt zijn keuze respecteerde, maar met de vrouw van oordeel was dat de gevolgen van deze keuze niet mochten leiden tot vermindering van de draagkracht van de man in verband met de door hem te betalen bijdrage ten behoeve van de kinderen, heeft het Hof in hoger beroep die bijdrage over de periode van 1 december 1997 tot 1 januari 1999 vastgesteld op nihil en met ingang van 1 januari 1999 op ƒ 25,-- per maand en per kind, daartoe met betrekking tot de schulden van de partner van de man - door het Hof in 3.6 van zijn beschikking vermeld - nog als volgt over-wegend:

“Met de man is het hof van oordeel dat het redelijk is rekening te houden met de hier-voor onder 3.6 genoemde maandelijkse bedragen van ƒ 400,-- en ƒ 112,70 ter aflossing van schulden van zijn nieuwe partner. Mevrouw van Verseveld beschikt niet over eigen inkomsten en is daarom niet in staat deze schulden zelf af te lossen zo-dat de man fei-telijk moet zorgdragen voor aflossing van deze schulden.”.

3.4 De onderdelen 1, 2 en 4 treffen doel. Voormeld oordeel is ontoereikend gemotiveerd. Het Hof heeft er immers geen blijk van gegeven dat het de belangen van de beide kinderen heeft afgewogen tegen die van de nieuwe partner van de man. Het had daarbij tot uitgangspunt dienen te nemen dat het enkele feit dat de man zijn leven met een nieuwe partner is gaan delen en zich aldus in een nieuwe gezinssituatie heeft begeven, welke gezinssituatie tot een ongunstiger verhouding tussen inkomsten en uitgaven heeft geleid, onvoldoende is om de ten behoeve van de kinderen verschuldigde bijdrage op een lager bedrag te bepalen dan anders verschuldigd zou zijn, en zo de belangen van de kinderen bij die van de nieuwe partner ach-ter te stellen (HR 25 november 1994, nr 8514, NJ 1995, 286, en HR 2 december 1994, nr 8448, NJ 1995, 287).

3.5 Onderdeel 3 van het middel klaagt erover dat, indien moet worden aangenomen dat met betrekking tot voormelde schulden van de partner van de man een belangenafweging heeft plaatsgevonden, het Hof zulks op onjuiste wijze heeft gedaan. Deze klacht mist feitelijke grondslag en behoort derhalve te worden verworpen.

3.6 Onderdeel 5 van het middel bevat in dit verband een motiveringsklacht en behoeft, gezien hetgeen hiervoor is overwogen, geen behandeling meer.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 2 februari 1999;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Neleman, als voorzitter, Jansen en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 18 februari 2000.