Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4779

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/196HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4779
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi AA20010251 met annotatie van J.M. van Dunné
JOL 2000, 102
NJ 2000, 277
RvdW 2000, 57

Uitspraak

11 februari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/196HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser],

wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr E. Grabandt,

t e g e n

[Verweerster],

wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 23 november 1994 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en - voorzover in cassatie van belang - gevorderd:

B. [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 50.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994 over genoemde hoofdsom, alsmede vermeerderd met de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand c.q. incassokosten ad ƒ 5.014,75.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd de tussen partijen bestaande overeenkomst van 11 oktober 1990 per direct te ontbinden, althans op de datum die de Rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

Na een ingevolge een tussenvonnis van 19 april 1995 op 12 juni 1995 gehouden comparitie van partijen heeft [verweerster] in reconventie primair geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser], subsidiair, voorwaardelijk en voorzover de Rechtbank de overeenkomst op enig moment zal ontbinden, gevorderd te bepalen dat [eiser] aan [verweerster] bij ontbinding van de overeenkomst een bedrag zal betalen gelijk aan vier maal de bruto winst per jaar, welke [verweerster] gemiddeld over de afgelopen vier jaar heeft gerealiseerd, vermeerderd met een bedrag van vier maal de brutowinst over het jaar 1994, welke [verweerster] met de verkoop van schoeisel heeft gerealiseerd, althans een zodanig bedrag als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 18 december 1996 onder meer geoordeeld dat de vordering sub B zal worden toegewezen tot een bedrag van ƒ 50.000,-- in hoofdsom. Voorts heeft de Rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door [verweerster] en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen laatstvermeld tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 12 maart 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening naar de Rechtbank te Utrecht verwezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

[Verweerster] voerde een groothandel in buitenkleding, schoeisel, jacht- en visartikelen en had uit dien hoofde zakelijke contacten met onder anderen de provinciale autoriteiten.

(i) [Eiser] was voornemens een onderneming betreffende de verkoop en levering van artikelen op het gebied van de bestrijding van muskusratten (verder) te ontwikkelen.

(iii) Op 11 oktober 1990 hebben partijen een overeenkomst gesloten waarin onder meer het volgende is bepaald:

"1. [Verweerster] zal de [eiser] in contact brengen met de inkopers van de overheid voor wat betreft de bestrijding van de muskusrat ter bevordering van artikelen welke benodigd zijn voor de rattenbestrijding.

2. [Eiser] zal zich niet inlaten met de verkoop van kleding en persoonlijke toebehoren de jacht en de rattenbestrijding betreffende. De verkoop van deze artikelen zal geheel aan [verweerster] worden gelaten.

3. Voor elke overtreding zal [eiser] [verweerster] een geldbedrag ad ƒ 25.000,-- verschuldigd zijn."

(iv) [Eiser] heeft zich na 31 december 1991 schuldig gemaakt aan twee overtredingen van het non-concurrentiebeding: hij heeft in één transactie twee paar lieslaarzen, en in ten minste één andere transactie drie paar lieslaarzen verkocht aan de provincie Utrecht.

3.2 In deze procedure heeft [verweerster], onder meer en voorzover in cassatie van belang, met een beroep op het boetebeding gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 50.000,--. In haar vonnis van 18 december 1996 heeft de Rechtbank, met verwerping van het door [eiser] gedane beroep op matiging, beslist dat deze vordering zal worden toegewezen.

3.3 In hoger beroep is [eiser] tegen deze beslissing opgekomen met zijn grief IV, waarin hij betoogt dat de Rechtbank op grond van de billijkheid had behoren te komen tot matiging van de bedongen boete omdat, kort gezegd:

a) [verweerster] haar deel van de tussen partijen gemaakte afspraken niet, dan wel in zeer beperkte mate is nagekomen;

b) de aan de provincie Utrecht verkochte lieslaarzen speciaal voor de muskusrattenbestrijding werden ontwikkeld, en [verweerster] geweigerd had dit type in haar assortiment op te nemen;

c) er een enorme discrepantie is tussen de door [verweerster] als gevolg van de overtredingen geleden schade van ongeveer ƒ 210,-- bruto en de boete van ƒ 50.000,--;

d) de rechter bij de op 12 juni 1995 gehouden comparitie van partijen als zijn voorlopig oordeel te kennen heeft gegeven dat een boete gebaseerd op tienmaal de schade van [verweerster] redelijk moest worden geacht.

Het Hof heeft grief IV ongegrond bevonden, daartoe overwegende:

"Volgens [eiser] is het onredelijk dat hij volledig op het onderhavige beding wordt afgerekend, dit terwijl ook [verweerster] van haar kant in zeer beperkte mate aan haar verplichtingen uit het contract heeft voldaan. Dit betoog gaat reeds op grond van hetgeen hierboven in het kader van grief I is overwogen en beslist niet op, terwijl ook verder geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de billijkheid klaarblijkelijk tot matiging der bedongen boete noopt. Een zodanig feit of omstandigheid ziet het hof niet in de stelling dat [verweerster] gezegd zou hebben dat zij de onderhavige laarzen niet in haar assortiment heeft willen voeren. Dit - door [verweerster] overigens betwiste - gegeven bracht immers niet mee dat het [eiser] dus vrij stond het onderhavige beding te overtreden, nog daargelaten dat niet gesteld of gebleken is dat hij dienaangaande enig overleg met [verweerster] heeft gevoerd.

Bij deze stand van zaken is derhalve voor matiging van de boete als verzocht geen plaats.

Hieraan kan niet afdoen dat de rechtbank ter comparitie van partijen als voorlopig oordeel te kennen zou hebben gegeven dat er voor matiging van de boete aanleiding bestond.

Een dergelijk - kennelijk met het oog op schikkingsbesprekingen - gegeven oordeel, is per definitie niet bindend."

3.4 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof bij de bespreking van grief IV niet (voldoende kenbaar) is ingegaan op de relevante stelling van [eiser] dat matiging van de boete (ook) dient plaats te vinden omdat sprake is van een enorme discrepantie tussen de hoogte van de schade (ongeveer ƒ 210,-- bruto) en de hoogte van de boete (ƒ 50.000,--). Voor het geval het Hof mocht zijn uitgegaan van de opvatting dat die discrepantie geen argument is dat kan leiden tot matiging van de boete, bevat het middel voorts de klacht dat het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hier gaat om een argument dat (mede) kan bijdragen tot het oordeel dat de verschuldigde boete dient te worden gematigd.

3.5 Het middel is gegrond. Art. 6:94 lid 1 BW geeft de rechter de bevoegdheid een contractuele boete op verlangen van de schuldenaar te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Aan deze voorwaarde kan voldaan zijn in het, zich hier naar de stellingen van [eiser] ("een enorme discrepantie") voordoende, geval dat de bedongen boete in verhouding tot de schade als gevolg van de overtredingen buitensporig is. Naar aanleiding van het door [eiser] op die enorme discrepantie gedane beroep heeft het Hof niet meer of anders overwogen dan dat "ook verder geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de billijkheid klaarblijkelijk tot matiging der bedongen boete noopt." Voorzover het Hof aldus zou hebben geoordeeld dat een enorme discrepantie als door [eiser] gesteld nimmer grond kan bieden voor toepassing van art. 6:94 lid 1, heeft het derhalve blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Mocht het Hof hebben geoordeeld dat de door [eiser] gestelde enorme discrepantie op grond van de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding geeft tot matiging vormde, dan heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd door niet aan te geven welke omstandigheden het daarbij op het oog heeft gehad.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 maart 1998;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 1.441,23 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Van der Putt-Lauwers, Fleers en De Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 11 februari 2000.