Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4770

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/194HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden 27, geldigheid: 2000-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2000/86
JOL 2000, 96
NJ 2000, 274
RvdW 2000, 52
JAR 2000, 86
ROR 2000, 20

Uitspraak

11 februari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/194HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE ONDERNEMINGSRAAD BELASTINGDIENST PARTICULIEREN ONDERNEMINGEN ZAANDAM,

gevestigd te Zaandam,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr R.A.A. Duk,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

VERTEGENGWOORDIGD DOOR HET HOOFD VAN DE EENHEID PARTICULIEREN/ONDERNEMINGEN ZAANDAM VAN DE BELASTINGDIENST,

gevestigd te Zaandam,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr A.L. Asscher.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 6 mei 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Zaandam ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie, - verder te noemen: de Staat - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht:

primair te oordelen dat ten aanzien van het voorgenomen besluit van de ondernemer om het buitengewoon verlof voor de lokale feestdag en de verjaardag in de onderneming af te schaffen, aan de ondernemingsraad geen instemmingsrecht als bedoeld in artikel 27 lid 1 WOR toekomt;

subsidiair: indien de Kantonrechter zou oordelen dat aan de ondernemingsraad wel instemmingsrecht toekomt ten aanzien van het hiervoor bedoelde voorgenomen besluit, haar bij wijze van vervangende goedkeuring toestemming te verlenen het voorgenomen besluit te nemen in het geval de ondernemingsraad zijn instemming aan het voorgenomen besluit onthoudt.

De ondernemingsraad heeft het verzoek bestreden en zelfstandig verzocht vast te stellen:

primair: dat aan de ondernemingsraad een instemmingsrecht toekomt ten aanzien van het voorgenomen besluit van de ondernemer om het buitengewoon verlof voor de lokale feestdag en de verjaardag in de onderneming af te schaffen, op grond van artikel 27 lid 1 sub b (bedoeld is sub c) WOR;

subsidiair: dat er geen grond is om aan de ondernemer vervangende toestemming te verlenen als bedoeld in artikel 27 lid 4 WOR indien hij voornemens is het voorgenomen besluit om te zetten in een besluit, gezien het feit dat de ondernemingsraad zijn instemming aan het voorgenomen besluit onthouden heeft.

De Staat heeft het zelfstandig verzoek van de ondernemingsraad bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 23 juli 1998 voor recht verklaard dat aan de ondernemingsraad geen instemmingsrecht als bedoeld in artikel 27 lid 1 WOR toekomt ten aanzien van het voorgenomen besluit van de ondernemer om het buitengewoon verlof voor de lokale feestdag en de verjaardag in de onderneming af te schaffen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de ondernemingsraad hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

Bij beschikking van 22 december 1998 heeft de Rechtbank de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de ondernemingsraad beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de ondernemingsraad in de kosten.

De advocaat van de ondernemingsraad heeft bij brief van 26 november 1999 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende.

(i) Voor de toepassing van de WOR wordt de Eenheid Particulieren/Ondernemingen Zaandam van de Belastingdienst (hierna: de Eenheid) aangemerkt als onderneming en de Staat als bestuurder.

(ii) Binnen de Eenheid geldt een regeling betreffende het zogenaamde “pretverlof”. Deze regeling voorziet - kort gezegd - in de jaarlijkse toekenning van een extra vrije dag voor elke op een gewone werkdag vallende verjaardag en een extra vrije dag voor een lokale festiviteit naar keuze, zoals Derde Pinksterdag, Lappendag, Alkmaars ontzet, ijsvrij etc.

(iii) Het Hoofd van de Eenheid heeft het voornemen kenbaar gemaakt aan de ondernemingsraad om dit pretverlof af te schaffen. De ondernemingsraad kon zich hierin niet vinden. Teneinde onnodige escalatie te voorkomen heeft het Hoofd vooralsnog afgezien van het nemen van dat besluit.

(iv) Partijen hebben in dat kader afgesproken eerst bemiddeling en advies af te wachten van de Bedrijfscommissie voor de Overheid en de zaak daarna, voor zover nog nodig, aan de Kantonrechter voor te leggen.

(v) De Kamer voor Rijk en Politie van de Bedrijfscommissie heeft op 22 april 1998 een advies uitgebracht, nadat een minnelijke schikking niet tot stand was gekomen. In dit advies heeft de Bedrijfscommissie, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de regeling betreffende het bijzonder verlof voor de lokale festiviteit voor de toepassing van art. 27 lid 1 onder c (oud) WOR gelijk moet worden gesteld met een vakantieregeling en dat het voorgenomen besluit tot afschaffing daarvan instemmingsplichtig was. Voor wat betreft het verjaardagsverlof oordeelde de Bedrijfscommissie daarentegen dat de ondernemingsraad geen instemmingsrecht toekomt.

3.2 Stellende dat ten aanzien van het voorgenomen besluit om het buitengewoon verlof voor de lokale feestdag en de verjaardag in de onderneming af te schaffen, aan de ondernemingsraad geen instemmingsrecht als bedoeld in art. 27 lid 1 onder c (oud) WOR toekomt, heeft de Staat zich met het onder 1 vermelde verzoek tot de Kantonrechter gewend. De ondernemingsraad, die zich op het standpunt heeft gesteld dat hem dat instemmingsrecht wel toekomt, heeft het onder 1 vermelde zelfstandige tegenverzoek ingediend.

De Kantonrechter heeft het primaire verzoek van de Staat toegewezen en hetgeen over en weer meer of anders is verzocht, afgewezen. De Rechtbank heeft de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3 Het middel betoogt dat, anders dan Kantonrechter en Rechtbank hebben geoordeeld, het hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde “pretverlof” onderdeel vormt van de bij de Eenheid geldende werktijd - en/of vakantieregeling als bedoeld in (thans) art. 27 lid 1 onder b WOR, zodat de intrekking daarvan instemming van de ondernemingsraad (dan wel - evenmin verkregen - vervangende toestemming) behoefde, en dat derhalve de ondernemingsraad terecht de nietigheid van het hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde besluit heeft ingeroepen. Van een vakantieregeling is, aldus het middel, niet alleen sprake bij een regeling die bepaalt wanneer vakantie wordt opgenomen, maar ook wanneer het, zoals hier, gaat om de vaststelling van het aantal dagen waarop vakantie, met name bijzonder verlof als hier aan de orde, wordt genoten.

3.4 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Blijkens de parlementaire geschiedenis van de WOR en van een aantal wijzigingen van die wet is een- en andermaal benadrukt dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest aan de ondernemingsraad een instemmingsrecht te geven met betrekking tot de vaststelling of wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden.

De regeling van de arbeidsduur, dat wil zeggen het aantal uren op jaarbasis gedurende welke werknemers arbeid dienen te verrichten, moet worden gerekend tot de primaire arbeidsvoorwaarden.

3.5 Tegen de achtergrond van hetgeen is vooropgesteld in 3.4 moet worden aangenomen dat onder een vakantieregeling als bedoeld in art. 27 lid 1 onder b WOR moet worden verstaan een regeling die betrekking heeft op de wijze waarop of de periode waarin vakantiedagen kunnen worden opgenomen, maar dat onder een zodanige regeling niet moet worden begrepen een regeling die betrekking heeft op het aantal vakantiedagen waarop een werknemer aanspraak kan maken, nu laatstbedoelde regeling consequenties heeft voor de feitelijke arbeidsduur in die zin dat het opnemen van vakantiedagen een vermindering van het aantal op jaarbasis te werken uren meebrengt.

3.6 Nu de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde regeling neerkomt op toekenning van een extra vrije dag per jaar aan iedere medewerk(st)er voor een lokale festiviteit naar keuze en nog een extra vrije dag in de jaren dat de verjaardag van de betrokken medewerk(st)er op een gewone werkdag valt, kan deze regeling derhalve niet worden aangemerkt als een werktijd- of vakantieregeling als bedoeld in art. 27 lid 1 onder b WOR.

3.7 Het middel faalt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Van der Putt-Lauwers, Fleers en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 11 februari 2000.