Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4729

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
C98/199HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4729
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 78

Uitspraak

4 februari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/199HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats],

3. INSTALLERENDE PARTNERS BOUW B.V.,

gevestigd te Lopik,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr B. Winters,

t e g e n

1. [verweerder],

wonende te [woonplaats],

2. [verweerster],

wonende te [woonplaats],

3. BADERET INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Utrecht,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr W. Heemskerk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie sub 1 en 2, "handelende onder de vennootschap onder firma Installerende Partners Bouw VOF", - verder respectievelijk te noemen: [eisers] - hebben bij exploit van 20 juni 1996 verweerders in cassatie sub 1 en 2 - verder te noemen:

[verweerder], respectievelijk [verweerster] - op verkorte termijn gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd:

1. primair:

a. te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen octrooilicentieovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, door de buitengerechtelijke ontbindingverklaring d.d. 18 juni 1996, wegens blijvende onmogelijkheid voor [verweerders] om aan hun verplichtingen krachtens overeenkomst jegens [eisers] te voldoen;

b. [verweerders] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de ontbinding, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, alsmede wegens het derven van inkomsten en geleden verlies, welke thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

2. Subsidiair:

a. de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen overeenkomst in zijn geheel te ontbinden, op grond van blijvende onmogelijkheid tot nakoming door [verweerders] van de krachtens genoemde overeenkomst op hen rustende verplichtingen jegens [eisers];

b. [verweerders] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de ontbinding, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

3. meer subsidiair:

a. genoemde overeenkomst te ontbinden voorzover deze overeenkomst betrekking heeft op octrooiaanvraag 9300665, en nietig althans vernietigbaar te verklaren voor zover deze overeenkomst betrekking heeft op octrooiaanvraag 1000154;

b. [verweerders] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de ontbinding, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, alsmede [verweerders] te veroordelen tot ongedaanmaking van de door [eisers] onverschuldigd verrichte betalingen aan [verweerder] en/of [verweerster], des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd.

[Verweerders] hebben de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 november 1996 het gevorderde afgewezen.

Van dit vonnis is eiseres tot cassatie sub 3 - verder te noemen: Installerende Partners Bouw B.V. - bij dagvaarding uitgebracht aan [verweerder], [verweerster] en verweerster in cassatie sub 3 - verder te noemen: Baderet International B.V. - in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Het Hof heeft, gevolg gevend aan de wens en bedoeling van partijen, als appellanten aangemerkt [eiser], [eiseres] en Installerende Partners Bouw B.V., en als geïntimeerden [verweerder], [verweerster] en Baderet International B.V. De appelanten, thans eisers tot cassatie, zullen hiervan verder tezamen worden aangeduid als: [eisers], de geïntimeerden, thans verweerders in cassatie, als: [verweerders]

Bij memorie van grieven hebben [eisers] hun eis gewijzigd en vermeerderd en gevorderd:

1. primair:

a. genoemde overeenkomst nietig te verklaren wegens strijd met art. 85 lid 1 EEG-Verdrag, althans te vernietigen krachtens art. 3:44 lid 3 BW;

b. [verweerders], althans [verweerder] of [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de nietigheid dan wel vernietiging, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg, althans vanaf de dagvaarding in tweede instantie tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, alsmede [verweerders], althans [verweerder] of [verweerster] te veroordelen tot ongedaanmaking van de door [eisers] onverschuldigd verrichte betalingen aan [verweerders], althans [verweerder] of [verweerster], zulks binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

1. subsidiair:

a. te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen octrooilicentieovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, door de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring d.d. 18 juni 1996 van de zijde van [eisers], omdat [verweerders] reeds vanaf 2 april 1996 althans enig ander tijdstip zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerden wegens blijvende onmogelijkheid van de zijde van [verweerders] om hun verplichtingen krachtens voormelde overeenkomst jegens [eisers] te voldoen door het verzwijgen van het vervallen van octrooiaanvraag 9300665, althans omdat [verweerders] zonder ingebrekestelling in verzuim verkeerden, terzake van de overige voornoemde ernstige toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van hun verbintenissen jegens [eisers];

b. [verweerders], althans [verweerder] of [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de ontbinding, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks binnen twee dagen na betekening van het te dezen wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

1. meer subsidiair:

a. te verklaren voor recht dat de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen octrooilicentieovereenkomst op 18 juni 1996 althans 3 juli 1996 althans op een zodanig tijdstip als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren rechtsgeldig is beëindigd door het vervallen en ingetrokken zijn van één dan wel twee octrooiaanvragen krachtens het bepaald in art. 8 lid 1 van voormelde octrooilicentieovereenkomst, althans door bekrachtiging door [verweerders] althans [verweerder] of [verweerster] van de buiten-gerechtelijke ontbinding op 18 juni 1996 door [eisers] verricht;

b. [verweerders], althans [verweerder] of [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de beëindiging van de octrooilicentieovereenkomst ex art. 8 lid 1 van de overeenkomst, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

1. meer meer subsidiair: te bepalen dat artikel 8 van de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen octrooilicentieovereenkomst buiten toepassing zal zijn, zulks krachtens art. 6:248 BW, op grond van het feit dat het niet verlenen van de octrooien dan wel het nietig zijn van de octrooien een omstandigheid is, die voor rekening van [verweerders] komt, alsmede op grond van het feit dat [verweerders] willens en wetens aan [eisers] hebben verzwegen, dat octrooiaanvraag 9300665 al op 2 april 1996 was vervallen, gelijk [verweerders] aan [eisers] hebben verzwegen, en/althans op grond van het feit dat octrooiaanvraag 1000154 door [verweerders] was ingetrokken, zodat het rechtsgevolg van hetgeen in artikel 8 van voornoemde overeenkomst is bepaald voor [eisers] op grond van maatstaven van redelijkheid en billijkheid is, en de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen octrooilicentieovereenkomst te ontbinden met ingang van 18 juni 1996 krachtens het bepaalde in art. 6:258 BW, althans met ingang van een zodanige datum als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, en te bepalen dat [verweerders] hun verplichtingen krachtens de ongedaanmakingsverbintenissen, die in de plaats treden van de verbintenissen krachtens de octrooilicentieovereenkomst, nakomen binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, althans artikel 8 van de octrooilicentieovereenkomst zodanig te wijzigen dat bij beëindiging van overeenkomst wegens het niet verlenen dan wel nietig zijn van de octrooien, afgerekend dient te worden ex tunc, alsof de overeenkomst niet heeft bestaan, althans zodanige wijzigingen van de overeenkomst aan te brengen als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

1. meer meer meer subsidiair:

a. de tussen partijen op 2 februari 1996 totstandgekomen overeenkomst in zijn geheel te ontbinden, op grond van blijvende onmogelijkheid tot nakoming door [verweerders] van de krachtens genoemde overeenkomst op hen rustende verplichtingen jegens [eisers] wegens het vervallen van octrooiaanvraag 9300665 en het intrekken van octrooiaanvraag 1000154 dan wel op grond van ernstige toerekenbare tekortkomingen door [verweerders] jegens [eisers];

b. [verweerders], althans Boogaard of [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de ontbinding van de overeenkomst, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

1. meer meer meer meer subsidiair:

a. indien al het voorgaande niet mocht slagen het [verweerder] en/of [verweerster] te veroordelen tot vergoeding van de reeds door [eisers] geleden en nog te lijden schade terzake van de toerekenbare tekortkoming aan de zijde van [verweerder] en/of [verweerster] terzake van het aan derden aanbieden van een licentie voor octrooiaanvraag 1003.495, geheel in strijd met de octrooilicentieovereenkomst d.d. 2 februari 1996, alsmede terzake van de toerekenbare tekortkomingen aan de zijde van [verweerder] en/of [verweerster] terzake van het niet nakomen van hun verplichtingen krachtens overeenkomst, zoals het aannemen van opdrachten in naam van [eisers], zulks in strijd met het bepaalde in de octrooilicentieovereenkomst, en zoals het niet opgeven aan [eisers] van de te verrichten werkzaamheden, alsmede de plaats van de te verrichten werkzaamheden, alsmede de duur van de te verrichten werkzaamheden, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren;

2. [verweerders] te veroordelen tot vergoeding van de schade die door [verweerders] aan [eisers] is toegebracht wegens de onrechtmatige handelingen van [verweerders] jegens [eisers] verschuldigd, waaronder het zonder enige rechtsgrond afwentelen op [eisers] van garantieafspraken van klanten van [verweerders] uit een rechtsbetrekking die was ontstaan voor de totstandkoming van de octrooilicentieovereenkomst tussen [eisers] en [verweerders], op grond waarvan [eisers] genoodzaakt waren die garantieafspraken te honoreren, welke schade thans nog niet kan worden begroot, zodat deze zal dienen te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening, althans tot betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren, zulks binnen twee dagen na betekening van het te dezen te wijzen arrest, althans binnen een zodanige termijn als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

[Verweerders] hebben bij memorie van antwoord bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis, de grieven bestreden, en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

Bij arrest van 5 maart 1998 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In deze procedure spelen drie octrooiaanvragen voor een werkwijze voor het aanbrengen van een antislip-voorziening op, onder meer, de bodem van douche- of badkuipen een rol:

1. Op 20 april 1993 is door [verweerder] een octrooiaanvraag ingediend bij de Nederlandse Octrooiraad onder nummer 9300665 (hierna: de eerste octrooiaanvraag). Deze octrooiaanvraag is op 16 november 1994 ter inzage gelegd overeenkomstig art. 22C Rijksoctrooiwet (oud). De aanvraag is ingevolge art. 22K Rijksoctrooiwet op 18 april 1996 vervallen wegens het niet tijdig indienen van een verzoek een beslissing te nemen omtrent de verlening van octrooi.

2. Op 18 april 1995, derhalve na de inwerkingtreding van de Rijksoctrooiwet 1995 op 1 april 1995, is door [verweerder], mogelijkerwijs tesamen met [verweerster] (het Hof heeft dit in het midden gelaten), voor deze werkwijze een octrooiaanvraag ingediend onder nummer 1000154 (hierna: de tweede octrooiaanvraag) bij het Bureau voor de industriële eigendom. Deze octrooiaanvraag is op 18 juli 1996 ingetrokken.

3. Op 3 juli 1996 is een octrooiaanvraag ingediend onder nummer 1003495 (hierna: de derde octrooiaanvraag). Op 5 augustus 1997 is op deze octrooiaanvraag octrooi verleend op de voet van art. 33 van de Rijksoctrooiwet 1995.

Naar het Hof heeft vastgesteld in zijn rov. 5.3, hebben de drie octrooiaanvragen alle betrekking op de anti-slip-voorziening; de latere aanvraag omvatte telkens de eerdere en beoogde daarvan een verbetering.

(ii) Op 2 februari 1996 hebben [eisers] als vennoten van de vennootschap onder firma Installerende Partners Bouw VOF, een overeenkomst gesloten met [verweerders] (hierna: de overeenkomst), waarbij onder meer licentie werd verleend aan Installerende Partners Bouw VOF voor toepassing van de werkwijze waarop de octrooiaanvragen (ook de derde, die pas later is ingediend) betrekking hebben, op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden voor de duur van tien jaren. De rechten en verplichtingen uit deze overeenkomst zijn later ingebracht - aan de zijde van [eisers] - in Installerende Partners Bouw B.V., onderscheidenlijk - aan de zijde van [verweerders] - in Baderet International B.V.

(iii) [eisers] hebben bij brief van 18 juni 1996 een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring uitgebracht.

(iv) Op 31 oktober 1996 is de derde octrooiaanvraag betekend aan Installerende Partners Bouw B.V.

3.2 Bij dagvaarding van 20 juni 1996 hebben [eisers] de hiervoor in 1 weergegeven vordering ingesteld. De Rechtbank heeft deze bij vonnis van 27 november 1996 afgewezen.

In hoger beroep is naast [eisers] ook Installerende Partners Bouw B.V. als appellant opgetreden, zijnde volgens de appeldagvaarding de rechtsopvolgster van Installerende Partners Bouw VOF, en is naast [verweerders] ook Baderet International B.V. als geïntimeerde in de procedure betrokken.

In hoger beroep hebben [eisers] hun eis gewijzigd zoals hiervoor onder 1 weergegeven. Zij baseerden hun gewijzigde vordering deels op nieuwe feiten die nog niet aan de Rechtbank waren voorgelegd. Het Hof heeft de tegen het vonnis van de Rechtbank aangevoerde grieven verworpen en ook de gewijzigde vordering niet voor toewijzing vatbaar geoordeeld.

3.3 In het uit drie onderdelen bestaande cassatiemiddel worden motiveringsklachten aangevoerd tegen ’s Hofs rov. 5.14. Hierin heeft het Hof, samengevat en voorzover in cassatie van belang, het volgende overwogen.

(1) Als gevolg van het ter inzage leggen van de eerste octrooiaanvraag op 16 november 1994 is hetgeen in die aanvraag is vermeld, deel gaan uitmaken van de stand der techniek. De vraag kan dan ook gesteld worden of de beide latere aanvragen nog wel het gewenste effect konden sorteren, nu deze aanvragen telkens de eerdere omvatten en daarvan een verbetering beoogden.

(2) Het Hof heeft het antwoord op deze vraag in het midden gelaten, nu dat volgens het Hof voor de beslissing van het geschil niet van belang was op grond van het volgende.

(3) [Verweerder] en [verweerster] beschouwden de antislip-voorziening als voor octrooi in aanmerking komende uitvinding en bleven deze als zodanige uitvinding beschouwen ook na het ter inzage leggen van de eerste octrooiaanvraag. Partijen hebben het risico dat de antislip-voorziening niet voor een octrooi in aanmerking zou komen - daaronder begrepen het geval dat de aangevraagde octrooien nimmer voor verlening in aanmerking hadden kunnen komen, omdat deze niet voldeden aan het nieuwheidsvereiste - onder ogen gezien en zij hebben de gevolgen van dat risico in artikel 8 lid 1 van de overeenkomst geregeld.

(4) Art. 8 lid 1 van de overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst ‘onmiddellijk (zal) worden beëindigd door het niet verlenen of nietig verklaren van de betreffende octrooi(en), terwijl alsdan de afrekening zal dienen plaats te hebben alsof de overeenkomst in stand is gebleven tot het moment van beëindiging’. De kennelijke bedoeling van deze bepaling, aldus het Hof, was de behandeling van de octrooiaanvragen af te wachten en de relatie voor beëindigd te houden, indien en met ingang van het tijdstip dat de eerste octrooiaanvraag en ‘de latere, zogenaamde verbeterde versies hiervan’ als bedoeld in art. 1 van de overeenkomst zouden zijn afgehandeld of op enigerlei wijze zouden zijn vervallen en niet tot verlening zouden hebben geleid, terwijl alsdan ‘ex nunc’ zou worden afgerekend. Het Hof neemt echter aan dat dit geval zich niet heeft voorgedaan. Een vervallenverklaring en/of een intrekking van een eerdere aanvraag (de eerste octrooiaanvraag respectievelijk de tweede octrooiaanvraag) kan immers, aldus het Hof, niet als zo’n omstandigheid worden aangemerkt zolang nog een latere octrooiaanvraag (de tweede, respectievelijk de derde) ten aanzien van de antislip-voorziening hangende was. Niet valt in te zien welk belang [eisers] hadden - daaromtrent hebben zij ook niets gesteld - bij handhaving van zo’n eerdere aanvraag.

(5) Wel zou een en ander volgens het Hof wellicht anders zijn indien [verweerders] bij het sluiten van de overeenkomst en bij het indienen van de tweede octrooiaanvraag wisten of - zonder deskundige begeleiding en gelet op het feit dat het bij octrooiaanvragen om een juridisch en feitelijk ingewikkelde materie gaat - redelijkerwijs hadden kunnen weten dat de aanvragen kansloos waren. Dat is echter niet - voldoende gemotiveerd - gesteld en evenmin gebleken. Bovendien is gesteld noch gebleken dat derden inbreuk maakten op de beoogde exclusiviteit van de rechten van appellanten, zodat aangenomen moet worden dat appellanten ook geen nadeel ondervonden hebben van het mogelijk niet voldoen aan het nieuwheidsvereiste.

3.4 Onderdeel 1 is gericht tegen 's Hofs oordeel, in 3.3 weergegeven onder (4), dat niet valt in te zien welk belang [eisers] hadden bij de handhaving van zo’n eerdere aanvraag als de eerste, onderscheidenlijk de tweede octrooiaanvraag en dat zij daaromtrent ook niets hebben gesteld. Deze klacht is gegrond. [Eisers] hebben gesteld dat de eerste octrooiaanvraag ter inzage was gelegd en dus openbaar was geworden, terwijl door het vervallen van deze octrooiaanvraag in april 1996 ook overigens bescherming ontbrak. Zij hebben voorts gesteld, zakelijk weergegeven, dat hierdoor ernstig afbreuk werd gedaan aan de rechten waarvoor zij krachtens de overeenkomst een aanzienlijke licentievergoeding moesten betalen. Het Hof heeft in het midden gelaten of als gevolg van het ter inzage leggen van de eerste octrooiaanvraag - waardoor, naar het Hof uitdrukkelijk overweegt, hetgeen in die aanvraag is vermeld, deel is gaan uitmaken van de stand der techniek - de beide latere aanvragen nog wel het gewenste effect konden sorteren, nu deze aanvragen telkens de eerdere omvatten en daarvan een verbetering beoogden. In het licht van deze stellingen is zonder nadere, door het Hof niet gegeven, motivering niet begrijpelijk op grond van welke overwegingen het Hof tot zijn door het onderdeel bestreden oordeel is gekomen.

3.5.1 De onderdelen 2.1-2.3 zijn gericht tegen de overwegingen van het Hof die hiervoor in 3.3 zijn weergegeven onder (5); onderdeel 2.1 is bovendien gericht tegen de overweging, weergegeven onder (3), eerste volzin.

3.5.2 Onderdeel 2.1 houdt de klacht in dat [eisers] voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat [verweerders] bij het sluiten van de overeenkomst en bij het indienen van de tweede octrooiaanvraag wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat de aanvragen kansloos waren, en dat het Hof in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten door aan die stelling geen aandacht te besteden. Deze klacht is gegrond. [Eisers] hebben onder overlegging van bewijsstukken gesteld dat [verweerders] zich tegenover de Octrooiraad op het standpunt hebben gesteld dat de eerste en de tweede octrooiaanvraag geen werkzaam procédé bevatten. In het licht van deze stelling is 's Hofs oordeel dat niet - voldoende gemotiveerd - gesteld en evenmin gebleken is dat [verweerders] bij het sluiten van de overeenkomst en bij het indienen van de tweede octrooiaanvraag wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat de aanvragen kansloos waren, zonder nadere, door het Hof niet gegeven, motivering niet begrijpelijk. Zulks geldt ook voor het oordeel dat [verweerders] de antislip-voorziening als voor octrooi in aanmerking komende uitvinding beschouwden en bleven beschouwen ook na het ter inzage leggen van de eerste octrooiaanvraag, voorzover dit oordeel betrekking heeft op de eerste en de tweede octrooiaanvraag.

3.5.3 Ook onderdeel 2.2 slaagt. ’s Hofs oordeel dat [verweerders] bij het sluiten van de overeenkomst en bij het indienen van de tweede octrooiaanvraag geen deskundige begeleiding hebben gehad, is onbegrijpelijk, nu de gedingstukken geen andere conclusie toelaten dan dat de overeenkomst is opgesteld met bijstand van de advocaat van [verweerders] en dat de indiening van de tweede octrooiaanvraag is geschied met bijstand van een octrooigemachtigde.

3.5.4 Onderdeel 2.3 klaagt dat ’s Hofs oordeel dat aangenomen moet worden dat [eisers] geen nadeel ondervonden hebben van het mogelijk niet voldoen aan het nieuwheidsvereiste nu niet gesteld of gebleken is dat derden inbreuk maakten op de beoogde exclusiviteit van de rechten van [eisers], niet begrijpelijk is in het licht van de stellingen van [eisers] die ook in onderdeel 1 aan de orde zijn gesteld. Hetgeen in 3.4 is overwogen ten aanzien van onderdeel 1, brengt mee dat ook deze klacht gegrond is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 5 maart 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerders] in de kosten van het geding in cassa-tie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op ƒ 766,42 aan verschotten en

ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, De Savornin Lohman, Hammerstein en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op

4 februari 2000.