Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4721

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-02-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/046HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4721
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2000-02-04
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429k, geldigheid: 2000-02-04
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 429n, geldigheid: 2000-02-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2001, 62
JOL 2000, 68
NJ 2000, 193
RvdW 2000, 39

Uitspraak

4 februari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/046HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr M.J. Smit,

t e g e n

GEMEENTE NAARDEN,

gevestigd te Naarden,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr W. Heemskerk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 19 juni 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Hilversum ingekomen verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar met het onder 3.1 vermelde verzoek.

[Partner van verzoekster] heeft het verzoek bestreden en [verzoekster] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 8 januari 1998 het verzoek van de gemeente toegewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.

Bij beschikking van 13 januari 1999 heeft de Rechtbank [verzoekster] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep verklaard.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

(i) De gemeente heeft bij inleidend verzoekschrift, dat ter griffie van het Kantongerecht is ingekomen op 19 juni 1997, zich gewend tot de Kantonrechter en verzocht te bepalen dat een bedrag van ƒ 121.036,45 bruto ter zake van ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de periode van 22 mei 1992 tot en met 1 november 1996 terstond van [partner van verzoekster] en [verzoekster] kan worden teruggevorderd.

(ii) De Kantonrechter heeft dit verzoek toegewezen bij beschikking van 8 januari 1998.

(iii) [Verzoekster] heeft op 19 maart 1998 hoger beroep ingesteld. Zij heeft aangevoerd dat de beroepstermijn ingevolge art. 429n lid 2 Rv. twee maanden bedraagt en dat, nu het afschrift van de beschikking van de Kantonrechter op 20 januari 1998 is verzonden, het hoger beroep tijdig is ingesteld.

(iv) De Rechtbank heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Daartoe heeft zij overwogen - voor zover in cassatie van belang -:

“Uit de stukken is gebleken dat [verzoekster] bij het kantongerecht bij gemachtigde heeft geprocedeerd, zodat zij is te beschouwen als de in eerste aanleg verschenen belanghebbende. Artikel 429n lid 2 Rv schrijft voor dat door de in eerste aanleg verschenen belanghebbende hoger beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden na dagtekening der eindbeschikking, in het onderhavige geval 8 januari 1998.

Nu [verzoekster] niet binnen twee maanden na 8 januari 1998 in hoger beroep is gekomen, kan zij niet worden ontvangen in haar beroep.”

3.2 Onderdeel 1 strekt ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat ingevolge art. 429n lid 2 Rv. de termijn voor het instellen van hoger beroep in geval van een “verstekbeschikking” niet bedraagt twee maanden na de dagtekening van de beschikking zoals geldt wanneer de belanghebbende is verschenen, doch twee maanden na betekening van de beschikking of na het moment waarop de beschikking de belanghebbende op andere wijze bekend is geworden. Aan dit betoog ligt klaarblijkelijk de stelling ten grondslag dat [verzoekster] niet kan worden aangemerkt als een in eerste instantie verschenen belanghebbende als bedoeld in art. 429n lid 2 nu zij, zoals in de inleiding op het middel wordt vermeld, niet is verschenen bij de mondelinge behandeling die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden.

3.3 Het onderdeel faalt. Terecht wordt in cassatie niet bestreden dat de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar hoger beroep moet worden beoordeeld, zoals ook de Rechtbank heeft gedaan, aan de hand van art. 429n lid 2, nu het inleidend verzoekschrift is ingediend na 1 januari

1996, derhalve na inwerkingtreding van de nieuwe Abw op die datum. Dit brengt immers mee dat in deze procedure de in art. 429n lid 2 gegeven regeling van de appeltermijn van overeenkomstige toepassing is (HR 19 november 1999, R 98/154, RvdW 1999, nr. 174).

Onder verschenen belanghebbenden in die bepaling moeten niet alleen worden begrepen zij die in persoon of bij een vertegenwoordiger ter terechtzitting zijn verschenen, maar ook zij die zelf of bij vertegenwoordiger een verweerschrift hebben ingediend (zie ook: Kamerstukken II 1984/1985, 19129, nr. 4, blz. 5). [verzoekster] moet dan ook worden aangemerkt als een in eerste instantie verschenen belanghebbende, nu uit de in zoverre niet bestreden beschikking van de Kantonrechter blijkt dat zij in eerste aanleg een verweerschrift heeft ingediend.

3.4 Onderdeel 2 faalt op de gronden uiteengezet in de punten 8 en 9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers,

en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 4 februari 2000.