Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4640

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
34437
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2000-02-02
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2000-02-02
Algemene wet bestuursrecht 6:15, geldigheid: 2000-02-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2000/209 met annotatie van Beukers-van Dooren
Belastingblad 2000/412
BNB 2000/132
FED 2000/143
FED 2000/70
WFR 2000/224
V-N 2000/9.3

Uitspraak

Nr. 34437

2 februari 2000

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 15 april 1998 betreffende de hem voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 41.500,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 38.332,--.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraak bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft belanghebbende in dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is van die laatste uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend, waarin hij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.

3. Ambtshalve aanwezig bevonden grond tot cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.1. De onderhavige aanslag is gedagtekend 30 oktober 1993. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende bij op 25 oktober 1993 ter Inspectie ontvangen brief bezwaar gemaakt.

3.1.2. De Inspecteur heeft bij brief van 19 januari 1994, nadat belanghebbende bij brief van 23 december 1993 had gereageerd op zijn vragenbrief van 24 november 1993, een correctie op de aangifte en een "gedeeltelijke verminderingsbeschikking" aangekondigd. Bij uitspraak van 4 maart 1994 heeft de Inspecteur de aanslag verminderd.

3.1.3. Bij brief van 8 april 1994, ter Inspectie ontvangen op 12 april 1994, heeft belanghebbende opnieuw bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

3.1.4. Bij uitspraak van 9 augustus 1996 heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in dat laatste bezwaar.

3.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van 9 augustus 1996 bij brief van 29 augustus 1996, bij het Hof ontvangen op 31 augustus 1996, beroep aangetekend bij het Hof. Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn in 3.1.3 hiervoor genoemde bezwaar. Redengevend voor dit oordeel is dat naar het oordeel van het Hof de Inspecteur op een tijdig tegen de aanslag ingediend bezwaarschrift een op 19 januari 1994 gedagtekende uitspraak heeft gedaan, dat belanghebbende tegen deze uitspraak geen beroepschrift heeft ingediend zodat deze uitspraak en de aanslag onherroepelijk vaststaan, dat belanghebbende na afloop van de beroepstermijn nogmaals een tegen de aanslag gericht bezwaarschrift bij de Inspecteur heeft ingediend, maar dat tegen een uitspraak op bezwaar slechts de mogelijkheid van beroep open staat.

3.3. Kennelijk berust het oordeel van het Hof dat de Inspecteur een op 19 januari 1994 gedagtekende uitspraak op het bezwaarschrift heeft gedaan, op de in 3.1.2 genoemde brief van de Inspecteur van die datum. Die brief, die tot de stukken van het geding behoort, laat echter geen andere uitleg toe dan dat het daarin gaat om een aankondiging en motivering van een uitspraak, niet om de uitspraak zelf. Voor het overige laten de uitspraak van het Hof en de stukken van het geding geen andere uitleg toe dan dat - zoals het Hof ook zelf in 1.2 en 4.3 van zijn uitspraak overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur in het vertoogschrift heeft vastgesteld - de Inspecteur bij de uitspraak van 4 maart 1994 heeft beslist op het bezwaar van belanghebbende.

3.4. Uit hetgeen in 3.3 is overwogen vloeit voort dat de Inspecteur de in 3.1.3 genoemde brief van belanghebbende - het tweede bezwaarschrift - ingevolge artikel 6:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht zo spoedig mogelijk aan het Hof had dienen door te zenden, waarna het Hof de brief als beroepschrift in behandeling had dienen te nemen. Het verzuim van de Inspecteur om aan die bepaling te voldoen mag niet ten nadele van belanghebbende strekken. Het Hof had de brief dan ook alsnog als een wel dienovereenkomstig doorgezonden geschrift dienen aan te merken. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De klachten van belanghebbende behoeven geen behandeling. De uitspraak van de Inspecteur van 9 augustus 1996 moet worden vernietigd en het Hof dient alsnog belanghebbendes brief van 8 april 1994 als een - bij brief van 29 augustus 1996 aangevuld - beroepschrift in behandeling te nemen.

3.5. Voor de beantwoording van de vraag of de brief van belanghebbende als beroepschrift tijdig bij het Hof is binnengekomen, is het volgende van belang. De brief is op 12 april 1994, dat is binnen de termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de uitspraak op het bezwaar, door de Inspecteur ontvangen. Nu zich niet een van de in artikel 6:15, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen voordoet, moet de brief geacht worden twee weken na binnenkomst bij de Inspecteur, dus op 26 april 1994, te zijn ingediend bij het Hof (HR 8 december 1999, nrs. 33594 en 34984, V-N 1999/57.9, blz. 5016 en 57.8, blz. 5014). Ook met inachtneming van die regel is de termijn van artikel 6:7 van die wet overschreden indien de beroepstermijn overeenkomstig de hoofdregel van artikel 22a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 1994) is aangevangen met ingang van de dag na die van de dagtekening van de onderhavige uitspraak. In verband met de in die bepaling gegeven uitzondering op de hoofdregel behoeft echter van overschrijding geen sprake te zijn indien de dag van dagtekening van de uitspraak is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan. Over de vraag of die situatie zich hier voordoet, geven ’s Hofs uitspraak en de stukken van het geding geen uitsluitsel. Indien de termijn van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht is overschreden, dient de Hof ingevolge artikel 6:11 van die wet te onderzoeken of desondanks redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

- vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Inspecteur van 9 augustus 1996,

- verstaat dat het Hof belanghebbendes geschrift van 8 april 1994 als een op 26 april 1994 ingediend beroepschrift aanmerkt en in behandeling neemt, en

- gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze terzake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315,--.

Dit arrest is op 2 februari 2000 vastgesteld door de vice-president Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fase, en op die datum in het openbaar uitgesproken.