Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4607

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2000
Datum publicatie
13-08-2001
Zaaknummer
R99/010HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2000:AA4607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2000, 56
NJ 2000, 391 met annotatie van S.F.M. Wortmann
RvdW 2000, 33
FJR 2000, 43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2000

Eerste Kamer

Rek.nr. R99/010HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr H. Lenters,

t e g e n

[de man],

wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr P.S. Kamminga.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 1 juli 1997 ter griffie van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en met ingang van 1 juli 1997 beëindiging van zijn alimentatieplicht jegens verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - verzocht. Voorwaardelijk - voor het geval de Rechtbank niet tot beëindiging overgaat - heeft de man om vermindering van de alimentatie verzocht tot ƒ 1.470,-- per maand vanaf 1 januari 1998, ƒ 674,-- per maand vanaf 1 augustus 1998 en ƒ 1.481,-- per maand vanaf 1 februari 1999.

De vrouw heeft het verzoek bestreden en zelfstandig verzocht de alimentatie met ingang van de datum van deze beschikking te verhogen tot ƒ 2.000,-- per maand. Voorts heeft zij, voor het geval de man betwist dat zij recht heeft op een vierde deel van zijn ouderdomspensioen, een verklaring voor recht verzocht dat zij met ingang van augustus 1998 in het kader van de Wet verevening pen-sioenrechten na scheiding recht heeft op 25% van het ouderdomspensioen van de man.

De man heeft de zelfstandige verzoeken van de vrouw bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 17 februari 1998 bepaald dat de verplichting van de man om

bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 juli 1997 wordt verlengd tot 1 oktober 2003, dat na ommekomst van de hiervoor genoemde termijn verlenging mogelijk is. Voorts heeft de Rechtbank de beslissing omtrent de wijziging van de alimentatie ingaande 1 augustus 1998 aangehouden, en het meer of anders verzochte afgewezen. Bij eindbeschikking van 30 juni 1998 heeft de Rechtbank - met wijziging in zoverre van de beschikking van deze Rechtbank van 20 oktober 1992 - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud over de periode 1 augustus 1998 tot 1 februari 1999 bepaald op ƒ 1.100,-- per maand en het meer of anders verzochte afgewezen.

Tegen voormelde tussen- en eindbeschikking van de Rechtbank heeft de vrouw bij op 7 april 1998, respectievelijk op 28 augustus 1998 ter griffie van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ingekomen verzoekschriften afzonderlijk hoger beroep ingesteld bij dat Hof. Tegen de eindbeschikking heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de appellen gevoegd behandeld.

Bij beschikking van 20 november 1998 heeft het Hof de beschikkingen waarvan beroep vernietigd en met ingang van 1 juli 1997 de verplichting van de man tot het verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw beëindigd. Voorts heeft het Hof bepaald dat de

vrouw tot geen hoger bedrag restitutieplichtig is dan het bedrag dat zij uit hoofde van de ABW (met terugwerkende kracht per 1 juli 1997) betaald zal krijgen en het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 29 december 1999 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 19 september 1964 buiten iedere gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij vonnis van 31 oktober 1975 is tussen hen scheiding van tafel en bed uitgesproken. Dit vonnis is op 31 januari 1976 in kracht van gewijsde gegaan.

(ii) Bij vonnis van 2 mei 1980 is de ontbinding van het huwelijk uitgesproken. Op 6 april 1982 heeft de man aan de ambtenaar van de burgerlijke stand verzocht dit vonnis in de registers van de burgerlijke stand in te schrijven. Op 11 november 1982 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van de inschrijving een akte opgemaakt.

(iii) Sinds de scheiding van tafel en bed heeft de man aan de vrouw alimentatie betaald, waarvan de hoogte diverse malen is gewijzigd. De man is gehouden om met ingang van 1 april 1992 met een bedrag van ƒ 1.588,-- per maand bij te dragen in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. Ingevolge de wettelijke indexering bedraagt deze alimentatie met ingang van 1 januari 1998 ƒ 1.734,32 per maand.

3.2 In de onderhavige procedure heeft de man de Rechtbank verzocht zijn alimentatieplicht te beëindigen per 1 juli 1997, subsidiair de alimentatie te verminderen. De vrouw heeft harerzijds verzocht de alimentatie vast te stellen op ƒ 2.000,-- per maand, en voorts voor recht te verklaren dat zij met ingang van 2 augustus 1998 jegens het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds recht heeft op betaling van een aandeel van 25% van het recht van de man op ouderdomspensioen, ter grootte en in termijnen zoals bepaald in de Wet verevening pensioenrechten bij schei-

ding (Wet van 28 april 1994, Stb. 342, hierna te noemen: WVP).

De Rechtbank heeft het verzoek van de man tot limitering en de door de vrouw gevraagde verklaring voor recht afgewezen, en de alimentatie over de periode van 1 augustus 1998 tot 1 februari 1999 bepaald op ƒ 1.100,-- per maand.

3.3 In hoger beroep heeft het Hof de verplichting van de man tot het verstrekken van een alimentatie aan de vrouw met ingang van 1 juli 1997 beëindigd en het verzoek van de vrouw met betrekking tot de verevening van het ouderdomspensioen afgewezen.

Het Hof heeft de door de man op grond van art. II, tweede lid, van de Wet limitering na scheiding verzochte beëindiging van zijn alimentatieplicht per 1 juli 1997 toegewezen met bepaling dat de vrouw niet tot terugbetaling van een hoger bedrag is gehouden dan het bedrag dat zij uit hoofde van de ABW met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 betaald zal krijgen. Het Hof heeft deze beslissing gegrond op het oordeel - kort gezegd - dat in het onderhavige geval beëindiging van de alimentatie niet ingrijpend is (rov. 4.6 - 4.7).

De hiertegen gerichte onderdelen 1 en 2 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft,

gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 Met betrekking tot de aanspraak die de vrouw maakt op een deel van het ouderdomspensioen heeft het Hof het volgende overwogen. Ingevolge art. 12, tweede lid, WVP moet, om in aanmerking te komen voor het bijzondere vereveningsregime van 25%, bij een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 21 november 1981, het huwelijk ten minste 18 jaar hebben geduurd. Als meetpunt voor de 18 jarentermijn dient, aansluiting zoekend bij de bedoeling van de wet die is gebaseerd op de gezamenlijke inspanning van de echtgenoten tijdens het huwelijk, het tijdstip te gelden van het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis tot scheiding van tafel en bed en niet de inschrijving van het vonnis tot ontbinding van het huwelijk ná scheiding van tafel en bed. Daarbij is mede van belang dat in art. 1 WVP degenen die van tafel en bed zijn gescheiden, zijn gelijkgesteld met degenen van wie het huwelijk door echtscheiding is geëindigd. Nu in het onderhavige geval de periode van de huwelijkssluiting tot aan de scheiding van tafel en bed minder dan 18 jaar heeft bedragen, kan de verevening als bedoeld in art. 12 WVP niet worden toegewezen (rov. 4.8.1).

Onderdeel 4 is gericht tegen deze door het Hof aan art. 12, tweede lid, WVP gegeven uitleg.

3.5 Art. 1, eerste lid, onder a WVP bepaalt dat onder “scheiding” in de WVP moet worden verstaan - voorzover hier van belang - echtscheiding of scheiding van tafel en bed. Genoemd eerste lid bepaalt onder b dat onder tijdstip van scheiding dient te worden verstaan: “ingeval van echtscheiding (…): de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand; ingeval van scheiding van tafel en bed: de datum waarop de beschikking in kracht van gewijsde gaat;”.

De WVP schrijft voor dat in geval de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding (in de zin van de WVP) pensioenaanspraken heeft opgebouwd, de andere echtgenoot recht heeft op pensioenverevening (art. 2). Volgens art. 3 is het recht op verevening beperkt tot het deel van het ouderdomspensioen dat tijdens het huwelijk tot het tijdstip van de scheiding is opgebouwd. Volgens art. 12, eerste lid, is de wet niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van de wet (1 mei 1995). Het tweede lid van art. 12 bepaalt: “Niettemin is deze wet van overeenkomstige toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981, mits het huwelijk tenminste 18 jaren heeft geduurd (…).”

Ter beantwoording van de vraag wat onder de duur van het huwelijk moet worden verstaan in art. 12, tweede lid, WVP moet het volgende in aanmerking worden genomen. In genoemde bepaling is op een beperkte groep van scheidingen die hebben plaatsgevonden voor 27 november 1981, de WVP van overeenkomstige toepassing verklaard. In het systeem van de WVP is de periode waarover moet worden verevend beperkt tot de periode gelegen tussen de huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding. Dit laatste tijdstip is in geval van scheiding van tafel en bed de datum waarop de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. De ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is een begrip dat als zodanig geen functie vervult in de WVP. Dit een en ander brengt mee dat de zinsnede “mits het huwelijk ten minste 18 jaren heeft geduurd” in art. 12, tweede lid, aldus dient te worden uitgelegd dat voor de berekening van de periode van 18 jaren de tijd na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet meetelt. Deze uitleg strookt met het bepaalde in art. 1:169, tweede lid, BW, in welke bepaling (met betrekking tot de limitering van alimentatie) de duur van het huwelijk eveneens wordt berekend tot de dag waarop de beschikking tot scheiding van tafel en bed in kracht van gewijsde is gegaan.

Onderdeel 4 is derhalve tevergeefs voorgesteld. Onderdeel 3 behoeft geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 28 januari 2000.