Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2000:AA4527

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-01-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
35199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2000/129 met annotatie van A.L.C. Simons
FED 2000/60
FED 2000/305 met annotatie van C.J. HUMMEL
WFR 2000/185, 1
V-N 2000/10.25 met annotatie van Redactie
FutD 2000-0165
NTFR 2000/162 met annotatie van E.H. van den Elsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35199

26 januari 2000

gewezen op het beroep in cassatie van de vereniging Koninklijk Nederlands Watersport Verbond te Bunnik tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 januari 1999 betreffende na te melden beschikking inzake teruggaaf van omzetbelasting.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak november 1994 tot een bedrag van f a,-- is door de Inspecteur bij beschikking van 19 januari 1995 ingewilligd, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, waarbij belanghebbende verzocht om een aanvullende teruggaaf van f ee,--, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

3. Beoordeling van het middel van cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is een landelijke overkoepelende sportorganisatie met (eind 1994) 374 verenigingen als leden. Belanghebbende stelt zich ten doel het behartigen van de belangen van de watersport en het bevorderen van de mogelijkheden voor het uitoefenen van de watersport.

Belanghebbendes inkomsten bestonden in 1994 onder meer uit contributies, subsidies VWS, bijdragen bedrijfsleven, subsidies van de stichting SNS en van sponsoren, opbrengsten verlenging meetbrieven, opbrengsten afgifte eigendomspapieren, examengelden, opbrengsten keuringen en metingen, opbrengsten opleidingen en interest. Haar uitgaven bestonden in 1994 uit personeelslasten, kantoorkosten, huisvestingskosten, algemene kosten, vergaderkosten, uitgaven voor public relations, het periodiek Watersport, de meetafdeling, examens, opleidingen, topsport en belangenbehartiging, en een afdracht aan NOC*NSF.

De contributie die de leden betalen aan belanghebbende is afhankelijk van hun eigen ledenaantal en bedraagt ongeveer f 18,-- per senior-lid per jaar. De van de stichting SNS en van sponsoren ontvangen bedragen zijn besteed aan topsport.

Een deel van het personeel van belanghebbende houdt zich bezig met opleiding en training (waaronder het afnemen van examens) en met scheepstechnische zaken (waaronder het keuren en meten van wedstrijdboten en het verlengen van meetbrieven).

Ter zake van de in de vorige alinea genoemde prestaties berekent belanghebbende afzonderlijke vergoedingen waarover zij omzetbelasting in rekening heeft gebracht. Over het onderhavige tijdvak heeft belanghebbende ter zake van deze belaste prestaties een bedrag van f cc,-- als verschuldigde omzetbelasting aangegeven. Daartegenover heeft zij f dd,-- als voorbelasting in aftrek gebracht, waarbij zij de prorataberekening van artikel 11, lid 1, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 heeft toegepast.

3.2.1. Voor het Hof was in geschil in hoeverre belanghebbende recht heeft op aftrek van de aan haar in rekening gebrachte omzetbelasting. Daarbij was - voorzover in cassatie van belang - de vraag aan de orde of belanghebbende voor het geheel van de door haar verrichte prestaties ondernemer is, dan wel of haar ondernemerschap zich beperkt tot de prestaties die zij tegen vergoeding (niet zijnde contributies) verricht.

3.2.2. Het Hof heeft uit de omstandigheid dat belanghebbende ter zake van haar activiteiten op het gebied van belangenbehartiging geen vergoeding ontvangt, afgeleid dat zij deze, uit contributies en subsidies bekostigde, activiteiten niet verricht met het oog op de verkrijging van een prijs of tegenwaarde.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur onder verwijzing naar het jaarverslag 1994 van belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de algemene, onder meer uit contributies bekostigde activiteiten van belanghebbende ook overigens niet worden verricht met het oog op enig daarmee gemoeid economisch belang, waarbij het Hof in aanmerking heeft genomen dat die activiteiten betrekking hebben op de watersportbeoefening in brede zin, grotendeels een beleidsmatig en faciliërend karakter hebben, en nauw verweven zijn met de bestuurlijke werkzaamheid van de bij het beleidsterrein ‘watersport’ betrokken overheden.

Daaraan doet naar ‘s Hofs oordeel niet af dat belanghebbende als ondernemer dient te worden aangemerkt voor haar diensten op het terrein van opleiding en training, respectievelijk keuringen en metingen, voor welke diensten zij van afnemers afzonderlijke vergoedingen bedingt.

In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende weliswaar heeft gesteld dat haar algemene, onder meer uit contributies bekostigde, activiteiten verweven zijn met haar in de ondernemingssfeer verrichte activiteiten, maar dat deze stelling haar niet kan baten, aangezien zich hier niet voordoet de situatie dat de algemene activiteiten dienstbaar zijn aan de uitoefening van de onderneming, doch veeleer sprake is van enkele specifieke ondernemersactiviteiten die slechts zijdelings van doen hebben met de activiteiten op het terrein van algemene belangenbehartiging van watersporters.

3.3. Tegen het hiervóór in 3.2.2 weergegeven oordeel van het Hof keert zich het middel met het betoog dat belanghebbendes economische activiteiten rechtstreeks voortvloeien uit de algemene belangenbehartiging van watersporters, en niet slechts zijdelings ermee verbonden zijn.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. In ‘s Hofs oordeel ligt besloten dat de bedoelde economische activiteiten en de algemene belangenbehartiging niet zodanig onderling van elkaar afhankelijk zijn dat zij als één geheel moeten worden beschouwd. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is voorts niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het middel vermelde mededelingen in het jaarverslag 1994 van belanghebbende.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 26 januari 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren De Moor, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.